1 De heer liet Jona opslokken door een grote vis. Drie dagen en drie nachten zat Jona in de buik van de vis. 2 Toen begon hij in de buik van de vis tot de heer, zijn God, te bidden:

Jona 2:3

NBV
In mijn nood roep ik de HEER aan en hij antwoordt mij.
NBV21
In mijn nood riep ik de HEER aan en Hij antwoordde mij.

De NBV heeft het gebed van Jona (Jona 2:3–10) in z’n geheel in de tegenwoordige tijd gezet. Op het eerste gezicht past die keuze ook het beste bij het verhaal. Jona’s gebed is dan een smeekgebed. Vanuit de vis bidt Jona om redding: ‘In mijn nood roep ik de HEER aan.’

Het probleem is alleen dat dit niet goed past bij de werkwoordsvormen in de brontekst. De Hebreeuwse werkwoordsvormen zijn – volgens bijna alle onderzoekers – hier duidelijk op te vatten als verleden tijd. Jona’s gebed is dan geen smeekgebed, maar een dankgebed. Zo vatten vrijwel alle vertalingen het ook op. Jona dankt God, die hem heeft gered. ‘In mijn nood riep ik de HEER aan en Hij antwoordde mij.’ De NBV21 volgt deze weergave.

Maar hoe past Jona’s gebed dan bij het verhaal? Waarschijnlijk mogen we zeggen dat de vis die God stuurt om Jona op te slokken, het begin is van Jona’s redding. En vanuit de buik van de vis dankt Jona God voor zijn redding – alsof die al compleet is. Misschien een lastiger uitleg dan bij de tekst van de NBV? Ja, maar het gaat erom dat een vertaling de brontekst recht doet, ook als dat een tekst oplevert die iets lastiger uit te leggen is.

3 ‘In mijn nood riep ik de heer aan

en Hij antwoordde mij.

Uit het rijk van de dood schreeuwde ik om hulp –

U hoorde mijn stem!

4 U slingerde mij de diepte in, naar het hart van de zee.

Kolkend water heeft mij omgeven,

zwaar sloegen uw golven over mij heen.

5 Ik dacht: Verstoten ben ik, verbannen uit uw ogen.

Maar eens zal ik weer uw heilige tempel aanschouwen.

6 Het water sneed mij de adem af.

Muren van water hebben mij omgeven,

met wier is mijn hoofd omwonden.

7 Ik zonk naar de bodem, waar de bergen oprijzen,

naar het rijk dat zijn grendels voorgoed achter mij sloot.

Maar U trok mij levend uit de dood omhoog,

o heer, mijn God!

8 Toen mijn levensadem mij verliet,

riep ik U aan, heer,

en mijn gebed kwam tot U in uw heilige tempel.

9 Zij die armzalige goden vereren,

verlaten U, trouwe God,

10 maar ik zal mijn stem in dank verheffen

en U offers brengen;

mijn geloften los ik in.

Het is de heer die redt!’

11 Toen, op bevel van de heer, spuwde de vis Jona uit op het droge.

Heb jij de NVB21 al gereserveerd?

De NBV21 is de bijbelvertaling van de 21e eeuw. De NBV21 combineert al het goede van de NBV met alles wat er nog beter kon. Het resultaat: een vertaling die vertrouwd voelt en als nieuw. De NBV21 verschijnt in oktober 2021.