Bergrede

1 Toen Hij de mensenmassa zag, ging Hij de berg op. Daar ging Hij zitten met zijn leerlingen om zich heen. 2 Hij nam het woord en onderrichtte hen:

3 ‘Gelukkig wie nederig van hart zijn,

want voor hen is het koninkrijk van de hemel.

4 Gelukkig de treurenden,

want zij zullen getroost worden.

Matteüs 5:5

NBV
het land
NBV21
de aarde

Het Griekse woord gê kan zowel ‘land’ als ‘aarde’ betekenen. In het Oude Testament ligt de nadruk vaak op het land, namelijk: het beloofde land. Zo ook in Psalm 37:11 (waar dit vers in Matteüs naar verwijst): ‘Wie nederig zijn, zullen het land bezitten.’ In latere eeuwen wordt echter het beeld van Gods komende koninkrijk steeds belangrijker. Dat koninkrijk is niet beperkt tot één land, maar omvat de hele wereld. Als het woord zonder nadere geografische bepaling wordt gebruikt, betekent het in Matteüs meestal ‘de aarde’. Zie bijvoorbeeld Matteüs 5:13, 5:18, 5:35. Dus ook al bevat Matteüs 5:5 een echo van Psalm 37:11, toch is het beter om hier met ‘de aarde’ te vertalen.

5 Gelukkig de zachtmoedigen,

want zij zullen de aarde bezitten.

6 Gelukkig wie hongeren en dorsten naar de gerechtigheid,

want zij zullen verzadigd worden.

7 Gelukkig de barmhartigen,

want zij zullen barmhartigheid ondervinden.

8 Gelukkig wie zuiver van hart zijn,

want zij zullen God zien.

9 Gelukkig de vredestichters,

want zij zullen kinderen van God genoemd worden.

10 Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden,

want voor hen is het koninkrijk van de hemel.

11 Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van Mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. 12 Verheug je en juich, want je zult rijkelijk beloond worden in de hemel; zo immers vervolgden ze vóór jullie de profeten.

13 Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout worden gemaakt? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt.

14 Jullie zijn het licht voor de wereld. Een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. 15 Je steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, je zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. 16 Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, zodat zij jullie goede daden kunnen zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel.

17 Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. 18 Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn. 19 Wie dus ook maar het minste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de minste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel. Maar wie ze onderhoudt en dat aan anderen leert, zal in het koninkrijk van de hemel in hoog aanzien staan. 20 Want Ik zeg jullie: als jullie gerechtigheid niet groter is dan die van de schriftgeleerden en de farizeeën, zullen jullie zeker het koninkrijk van de hemel niet binnengaan.

Matteüs 5:22, 5:28, 5:32, 5:34, 5:39, 5:44

NBV
En ik zeg zelfs / En ik zeg jullie
NBV21
Dit zeg Ik daarover

In Matteüs 5 citeert Jezus zesmaal een stukje uit de Tora en verdiept dat vervolgens met zijn eigen voorschriften. Hij leidt die verdieping steeds in met een vaste formule. In de NBV is die afwisselend vertaald als ‘En ik zeg zelfs’ en ‘En ik zeg jullie’. In de NBV21 willen we werken met één vaste formule, net als in de brontekst. Die formule moet zorgvuldig gekozen worden. Het moet niet klinken als een directe tegenstelling, zoals zou kunnen met ‘Maar Ik zeg u’. Bovendien moet uit de formule blijken dat Jezus er niet zomaar iets ‘naast’ zet, maar dat Hij tot de kern van de zaak wil doordringen, die veel verder gaat dan men zou verwachten. Daarom kiest de NBV21 steeds voor de formulering ‘Dit zeg Ik daarover’.

21 Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” 22 Dit zeg Ik daarover: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie hen voor nietsnut uitmaakt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan. 23 Wanneer je dus je offergave naar het altaar brengt en je je daar herinnert dat je broeder of zuster jou iets verwijt, 24 laat je gave dan bij het altaar achter; ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen. 25 Leg een geschil snel bij, terwijl je nog met je tegenstander onderweg bent, anders levert hij je uit aan de rechter, draagt de rechter je over aan de gerechtsdienaar en word je gevangengezet. 26 Ik verzeker je: dan kom je niet vrij voor je ook de laatste cent betaald hebt.

27 Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Pleeg geen overspel.” 28 Dit zeg Ik daarover: iedereen die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd. 29 Als je rechteroog je ten val brengt, ruk het dan uit en werp het weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam in de Gehenna geworpen wordt. 30 En als je rechterhand je ten val brengt, hak hem dan af en werp hem weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat je met je hele lichaam naar de Gehenna gaat.

31 Er werd gezegd: “Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief meegeven.” 32 Dit zeg Ik daarover: ieder die zijn vrouw verstoot om een andere reden dan ontucht, drijft haar tot overspel; en ook wie trouwt met een verstoten vrouw, pleegt overspel.

33 Jullie hebben ook gehoord dat destijds tegen het volk werd gezegd: “Leg geen valse eed af en houd je aan de eden die je voor de Heer gezworen hebt.” 34 Dit zeg Ik daarover: zweer helemaal niet, noch bij de hemel, want dat is de troon van God, 35 noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote koning; 36 zweer evenmin bij je eigen hoofd, want je kunt nog niet één van je haren wit of zwart maken. 37 Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad.

38 Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Een oog voor een oog en een tand voor een tand.” 39 Dit zeg Ik daarover: verzet je niet tegen wie kwaad doet, maar keer degene die je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe. 40 Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed van je wil afnemen, sta hem dan ook je bovenkleed af. 41 En als iemand je dwingt één mijl met hem mee te gaan, loop er dan twee met hem op. 42 Als iemand iets van je vraagt, geef het hem, en keer je niet af van wie geld van je wil lenen.

43 Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” 44 Dit zeg Ik daarover: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen ; 45 alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 46 Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de tollenaars niet net zo? 47 En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Doen de heidenen niet net zo? 48 Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.

Heb jij de NBV21 al gereserveerd?

De NBV21 is de bijbelvertaling van de 21e eeuw. De NBV21 combineert al het goede van de NBV met alles wat er nog beter kon. Het resultaat: een vertaling die vertrouwd voelt en als nieuw. De NBV21 verschijnt in oktober 2021.