Tobits genezing
1 Toen ze in de omgeving van Kaserin waren gekomen, vlak bij Nineve, 2 zei Rafaël tegen Tobias: ‘Je weet hoe je vader eraantoe was toen we weggingen. 3 Laten we daarom alvast vooruitgaan om ervoor te zorgen dat alles in orde is wanneer je vrouw met de anderen aankomt.’ 4 Ze reisden getweeën vooruit; Tobias’ hond kwam achter hen aan. ‘Zorg ervoor dat je de gal bij de hand hebt,’ zei Rafaël. 5 Intussen zat Anna weer bij de weg uit te kijken naar haar zoon. 6 Toen ze hem zag aankomen, riep ze zijn vader toe: ‘Daar komt je zoon, samen met zijn reisgenoot!’ 7 Nog voordat Tobias bij zijn vader was, zei Rafaël: ‘Ik verzeker je dat je vaders ogen weer geopend zullen worden. 8 Smeer de gal van de vis in zijn ogen; de vliezen zullen door het medicijn krimpen en loslaten, en dan zal hij het licht weer kunnen zien.’ 9 Anna vloog op haar zoon af en viel hem om de hals. ‘Eindelijk zie ik je weer, jongen!’ snikte ze. ‘Nu kan ik sterven.’ 10 Tobit was opgestaan en schuifelde door de poort van de binnenplaats naar buiten. Tobias ging hem tegemoet 11 met de gal van de vis in zijn hand. Hij blies in zijn ogen, hield hem vast en zei: ‘Houd moed, vader.’ Hij bracht het medicijn aan 12-13 en trok met beide handen de vliezen vanuit de ooghoeken weg. Tobit viel Tobias om de hals. 14 Huilend zei hij: ‘Ik kan je weer zien, jongen. Je bent het licht van mijn ogen.’ En hij dankte God: ‘God zij geprezen, geprezen is zijn grote naam en geprezen zijn al zijn heilige engelen. Moge zijn grote naam ons beschermen. Geprezen zijn al zijn engelen voor eeuwig en altijd. 15 Hij heeft me getuchtigd, maar nu zie ik mijn zoon Tobias weer.’
Bijbelboek-belichtTobit-500x500-1
Opgetogen ging Tobias het huis in, God prijzend met luide stem. Hij vertelde zijn vader dat hij een voorspoedige reis had gehad en het geld had meegebracht, en dat hij met Sara, de dochter van Raguel, was getrouwd. ‘Ze komt eraan,’ zei hij, ‘ze zal zo bij de stadspoort zijn.’ 16 Tobit ging meteen op weg, zijn schoondochter tegemoet. Opgetogen en God prijzend liep hij naar de stadspoort. De inwoners van Nineve zagen hem door de stad lopen en verbaasden zich erover dat hij dat helemaal op eigen kracht deed, zonder door iemand te worden geleid. 17 Tegen ieder die hij tegenkwam betuigde Tobit zijn dank aan God, omdat God zich over hem had ontfermd en zijn ogen weer geopend had. Toen ontmoette hij Sara, de vrouw van zijn zoon Tobias, en hij zegende haar met de woorden: ‘Welkom, dochter, moge het je goed gaan. Gezegend is je God, die jou bij ons heeft gebracht. Gezegend is je vader, gezegend is mijn zoon Tobias en gezegend ben jij, mijn dochter. Wees welkom in het huis dat nu ook jouw huis is. Ik wens je gezondheid, veel zegen en veel vreugde toe. Welkom, dochter.’
Die dag was er een van vreugde voor alle Joden in Nineve. 18 Tobits neven Achikar en Nadab kwamen naar hem toe om in zijn blijdschap te delen.
Tobits genezing
1 Toen ze in de omgeving van Kaserin waren gekomen, vlak bij Nineve, 2 zei Rafaël tegen Tobias: ‘Je weet hoe je vader eraantoe was toen we weggingen. 3 Laten we daarom alvast vooruitgaan om ervoor te zorgen dat alles in orde is wanneer je vrouw met de anderen aankomt.’ 4 Ze reisden getweeën vooruit; Tobias’ hond kwam achter hen aan. ‘Zorg ervoor dat je de gal bij de hand hebt,’ zei Rafaël. 5 Intussen zat Anna weer bij de weg uit te kijken naar haar zoon. 6 Toen ze hem zag aankomen, riep ze zijn vader toe: ‘Daar komt je zoon, samen met zijn reisgenoot!’ 7 Nog voordat Tobias bij zijn vader was, zei Rafaël: ‘Ik verzeker je dat je vaders ogen weer geopend zullen worden. 8 Smeer de gal van de vis in zijn ogen; de vliezen zullen door het medicijn krimpen en loslaten, en dan zal hij het licht weer kunnen zien.’ 9 Anna vloog op haar zoon af en viel hem om de hals. ‘Eindelijk zie ik je weer, jongen!’ snikte ze. ‘Nu kan ik sterven.’ 10 Tobit was opgestaan en schuifelde door de poort van de binnenplaats naar buiten. Tobias ging hem tegemoet 11 met de gal van de vis in zijn hand. Hij blies in zijn ogen, hield hem vast en zei: ‘Houd moed, vader.’ Hij bracht het medicijn aan 12-13 en trok met beide handen de vliezen vanuit de ooghoeken weg. Tobit viel Tobias om de hals. 14 Huilend zei hij: ‘Ik kan je weer zien, jongen. Je bent het licht van mijn ogen.’ En hij dankte God: ‘God zij geprezen, geprezen is zijn grote naam en geprezen zijn al zijn heilige engelen. Moge zijn grote naam ons beschermen. Geprezen zijn al zijn engelen voor eeuwig en altijd. 15 Hij heeft me getuchtigd, maar nu zie ik mijn zoon Tobias weer.’
Opgetogen ging Tobias het huis in, God prijzend met luide stem. Hij vertelde zijn vader dat hij een voorspoedige reis had gehad en het geld had meegebracht, en dat hij met Sara, de dochter van Raguel, was getrouwd. ‘Ze komt eraan,’ zei hij, ‘ze zal zo bij de stadspoort zijn.’ 16 Tobit ging meteen op weg, zijn schoondochter tegemoet. Opgetogen en God prijzend liep hij naar de stadspoort. De inwoners van Nineve zagen hem door de stad lopen en verbaasden zich erover dat hij dat helemaal op eigen kracht deed, zonder door iemand te worden geleid. 17 Tegen ieder die hij tegenkwam betuigde Tobit zijn dank aan God, omdat God zich over hem had ontfermd en zijn ogen weer geopend had. Toen ontmoette hij Sara, de vrouw van zijn zoon Tobias, en hij zegende haar met de woorden: ‘Welkom, dochter, moge het je goed gaan. Gezegend is je God, die jou bij ons heeft gebracht. Gezegend is je vader, gezegend is mijn zoon Tobias en gezegend ben jij, mijn dochter. Wees welkom in het huis dat nu ook jouw huis is. Ik wens je gezondheid, veel zegen en veel vreugde toe. Welkom, dochter.’
Die dag was er een van vreugde voor alle Joden in Nineve. 18 Tobits neven Achikar en Nadab kwamen naar hem toe om in zijn blijdschap te delen.