1 Asa deed wat goed en juist is in de ogen van de HEER, zijn God. 2 Hij verwijderde de uitheemse altaren en de offerplaatsen, verbrijzelde de gewijde stenen en hakte de Asjerapalen om. 3 Hij hield de Judeeërs voor dat ze zich moesten richten naar de HEER, de God van hun voorouders, en zijn wetten en bepalingen moesten naleven. 4 Uit alle steden van Juda liet hij de offerplaatsen en de wierookaltaren verwijderen. Onder zijn bewind heerste er rust en vrede in het koninkrijk. 5 Doordat er vrede heerste in het land en er in die tijd geen oorlog tegen hem gevoerd werd, was Asa in staat in Juda vestingsteden te bouwen. De HEER had hem immers rust verschaft. 6 Asa zei tegen de Judeeërs: ‘Laten we vestingsteden bouwen, omringd door muren met torens en vergrendelbare poorten. Nu behoort het land nog aan ons, want omdat wij ons gericht hebben naar de HEER, heeft Hij ons rust verschaft aan onze grenzen.’ Zo begon men te bouwen, en de werkzaamheden werden tot een goed einde gebracht. 7 Asa beschikte over een leger van driehonderdduizend Judeeërs, bewapend met grote schilden en lansen, en tweehonderdtachtigduizend Benjaminieten, bewapend met kleine schilden en bogen. Al zijn soldaten waren dappere krijgslieden.

8 Na verloop van tijd viel de Nubiër Zerach het land binnen met een leger van een miljoen soldaten en driehonderd strijdwagens, en hij rukte op tot aan Maresa. 9 Asa trok hem tegemoet en bracht zijn leger in stelling in de vallei van Sefata, bij Maresa. 10 Hij riep de HEER, zijn God, aan met de woorden: ‘HEER, er is niemand die hulp biedt zoals U wanneer de machteloze het moet opnemen tegen een overmacht. Help ons, HEER, onze God, want in U hebben we ons vertrouwen gesteld en in uw naam zijn we tegen deze overmacht in het geweer gekomen. HEER, onze God, sta niet toe dat een mens zich met U meet.’ 11 De HEER liet de Nubiërs tegen Asa en Juda het onderspit delven. De Nubiërs sloegen op de vlucht 12 en Asa en zijn leger achtervolgden hen tot bij Gerar. Er sneuvelden zo veel Nubiërs dat hun leger tot niets meer in staat was. Ze werden door de HEER en zijn leger verpletterend verslagen. De Judeeërs wisten een zeer grote buit te bemachtigen. 13 Ze veroverden alle steden in de omgeving van Gerar, die door vrees voor de HEER waren bevangen, en plunderden die omdat er een rijke buit te halen viel. 14 Ze overvielen ook de tenten van de veedrijvers en voerden een groot aantal schapen, geiten en kamelen weg. Toen keerden ze terug naar Jeruzalem.

1 Asa deed wat goed en juist is in de ogen van de HEER, zijn God. 2 Hij verwijderde de uitheemse altaren en de offerplaatsen, verbrijzelde de gewijde stenen en hakte de Asjerapalen om. 3 Hij hield de Judeeërs voor dat ze zich moesten richten naar de HEER, de God van hun voorouders, en zijn wetten en bepalingen moesten naleven. 4 Uit alle steden van Juda liet hij de offerplaatsen en de wierookaltaren verwijderen. Onder zijn bewind heerste er rust en vrede in het koninkrijk. 5 Doordat er vrede heerste in het land en er in die tijd geen oorlog tegen hem gevoerd werd, was Asa in staat in Juda vestingsteden te bouwen. De HEER had hem immers rust verschaft. 6 Asa zei tegen de Judeeërs: ‘Laten we vestingsteden bouwen, omringd door muren met torens en vergrendelbare poorten. Nu behoort het land nog aan ons, want omdat wij ons gericht hebben naar de HEER, heeft Hij ons rust verschaft aan onze grenzen.’ Zo begon men te bouwen, en de werkzaamheden werden tot een goed einde gebracht. 7 Asa beschikte over een leger van driehonderdduizend Judeeërs, bewapend met grote schilden en lansen, en tweehonderdtachtigduizend Benjaminieten, bewapend met kleine schilden en bogen. Al zijn soldaten waren dappere krijgslieden.

8 Na verloop van tijd viel de Nubiër Zerach het land binnen met een leger van een miljoen soldaten en driehonderd strijdwagens, en hij rukte op tot aan Maresa. 9 Asa trok hem tegemoet en bracht zijn leger in stelling in de vallei van Sefata, bij Maresa. 10 Hij riep de HEER, zijn God, aan met de woorden: ‘HEER, er is niemand die hulp biedt zoals U wanneer de machteloze het moet opnemen tegen een overmacht. Help ons, HEER, onze God, want in U hebben we ons vertrouwen gesteld en in uw naam zijn we tegen deze overmacht in het geweer gekomen. HEER, onze God, sta niet toe dat een mens zich met U meet.’ 11 De HEER liet de Nubiërs tegen Asa en Juda het onderspit delven. De Nubiërs sloegen op de vlucht 12 en Asa en zijn leger achtervolgden hen tot bij Gerar. Er sneuvelden zo veel Nubiërs dat hun leger tot niets meer in staat was. Ze werden door de HEER en zijn leger verpletterend verslagen. De Judeeërs wisten een zeer grote buit te bemachtigen. 13 Ze veroverden alle steden in de omgeving van Gerar, die door vrees voor de HEER waren bevangen, en plunderden die omdat er een rijke buit te halen viel. 14 Ze overvielen ook de tenten van de veedrijvers en voerden een groot aantal schapen, geiten en kamelen weg. Toen keerden ze terug naar Jeruzalem.