Jobs antwoord op Sofars eerste betoog

Kopie-van-Zonder-titel-2

1 Hierop antwoordde Job:


2 ‘Ja, jullie zijn werkelijk onovertroffen,

met jullie zal de wijsheid sterven!

3 Maar net als jullie heb ik mijn verstand,

ik ben niet jullie mindere.

Wie weet dit soort dingen niet?

4 Een mikpunt van spot ben ik voor mijn vrienden,

terwijl ik God aanroep en op zijn antwoord wacht!

Spot valt hem ten deel die onberispelijk en rechtvaardig is.

5 Ongeluk verdient verachting, denkt de zorgeloze,

de wankelende wordt omvergestoten.

6 De huizen van geweldplegers staan onbedreigd,

Gods beschimpers zijn volkomen veilig,

ze hebben Hem naar hun hand gezet.

7 Vraag het vee hiernaar, het zal je onderrichten,

vraag de vogels in de lucht, ze zullen het verkondigen.

8 Of spreek tot de aarde, ze zal je onderrichten,

het wordt je verteld door de vissen van de zee.

9 Wie weet van al deze dingen niet:

de HEER heeft ze tot stand gebracht.

10 Want in zijn macht is de ziel van al wat leeft,

in zijn macht de adem van het menselijk geslacht.

11 Toetst het oor de woorden niet,

zoals het gehemelte het voedsel proeft?

12 Valt de wijsheid aan de oudsten toe?

Groeit inzicht met het vorderen van de jaren?

13 Nee, God bezit de wijsheid en de kracht,

Hij heeft inzicht en verstand.


14 Wat God verwoest, wordt niet weer opgebouwd,

wie Hij gevangenzet, wordt niet meer bevrijd.

15 God bedwingt de wateren, en stromen vallen droog,

laat Hij ze gaan, dan ontwrichten ze de aarde.

16 Kracht en voorspoed zijn aan Hem te danken,

Hij heerst over bedrieger en bedrogene.

17 Raadsheren stuurt Hij barrevoets weg

en van rechters maakt Hij dwazen.

18 Hij rukt koningen hun mantel af

en bindt hun een lendendoek om.

19 Priesters stuurt Hij barrevoets weg

en heersers brengt Hij ten val.

20 Hij knevelt de tong van wijze mannen

en berooft de ouden van hun oordeelskracht.

21 Over aanzienlijken stort Hij verachting uit

en Hij maakt de gordels van edelen los.

22 Hij onthult het diepste van de duisternis

en brengt het zwartste donker naar het licht.

23 Volken maakt Hij groot, dan richt Hij ze te gronde,

volken maakt Hij machtig, dan voert Hij ze weg.

24 Hun aanvoerders beneemt Hij het verstand,

Hij laat hen dolen in een woestenij zonder uitweg.

25 Ze tasten in een lichtloos duister rond,

Hij laat hen zwalken als beschonkenen.

Jobs antwoord op Sofars eerste betoog

1 Hierop antwoordde Job:


2 ‘Ja, jullie zijn werkelijk onovertroffen,

met jullie zal de wijsheid sterven!

3 Maar net als jullie heb ik mijn verstand,

ik ben niet jullie mindere.

Wie weet dit soort dingen niet?

4 Een mikpunt van spot ben ik voor mijn vrienden,

terwijl ik God aanroep en op zijn antwoord wacht!

Spot valt hem ten deel die onberispelijk en rechtvaardig is.

5 Ongeluk verdient verachting, denkt de zorgeloze,

de wankelende wordt omvergestoten.

6 De huizen van geweldplegers staan onbedreigd,

Gods beschimpers zijn volkomen veilig,

ze hebben Hem naar hun hand gezet.

7 Vraag het vee hiernaar, het zal je onderrichten,

vraag de vogels in de lucht, ze zullen het verkondigen.

8 Of spreek tot de aarde, ze zal je onderrichten,

het wordt je verteld door de vissen van de zee.

9 Wie weet van al deze dingen niet:

de HEER heeft ze tot stand gebracht.

10 Want in zijn macht is de ziel van al wat leeft,

in zijn macht de adem van het menselijk geslacht.

11 Toetst het oor de woorden niet,

zoals het gehemelte het voedsel proeft?

12 Valt de wijsheid aan de oudsten toe?

Groeit inzicht met het vorderen van de jaren?

13 Nee, God bezit de wijsheid en de kracht,

Hij heeft inzicht en verstand.


14 Wat God verwoest, wordt niet weer opgebouwd,

wie Hij gevangenzet, wordt niet meer bevrijd.

15 God bedwingt de wateren, en stromen vallen droog,

laat Hij ze gaan, dan ontwrichten ze de aarde.

16 Kracht en voorspoed zijn aan Hem te danken,

Hij heerst over bedrieger en bedrogene.

17 Raadsheren stuurt Hij barrevoets weg

en van rechters maakt Hij dwazen.

18 Hij rukt koningen hun mantel af

en bindt hun een lendendoek om.

19 Priesters stuurt Hij barrevoets weg

en heersers brengt Hij ten val.

20 Hij knevelt de tong van wijze mannen

en berooft de ouden van hun oordeelskracht.

21 Over aanzienlijken stort Hij verachting uit

en Hij maakt de gordels van edelen los.

22 Hij onthult het diepste van de duisternis

en brengt het zwartste donker naar het licht.

23 Volken maakt Hij groot, dan richt Hij ze te gronde,

volken maakt Hij machtig, dan voert Hij ze weg.

24 Hun aanvoerders beneemt Hij het verstand,

Hij laat hen dolen in een woestenij zonder uitweg.

25 Ze tasten in een lichtloos duister rond,

Hij laat hen zwalken als beschonkenen.