Jozua’s afscheidsrede

1-2 De HEER had de Israëlieten rust gegeven door hen te verlossen van de vijanden die hen omringden. Vele jaren later riep Jozua, die toen op hoge leeftijd was gekomen, heel Israël bijeen, met alle oudsten, stamhoofden, rechters en griffiers. Hij zei tegen hen: ‘Ik heb niet lang meer te leven. 3 U hebt zelf kunnen zien wat de HEER, uw God, met al die volken heeft gedaan. Hij was het immers die voor u streed. 4 Ik heb voor uw stammen door loting het land verdeeld van de volken die ik heb uitgeroeid, van de Jordaan tot aan de Grote Zee in het westen; en eveneens het land van de volken die nog zijn overgebleven. 5 Die zal de HEER, uw God, zelf voor u uit hun land verdrijven. Dan kunt u het in bezit nemen, zoals Hij heeft beloofd. 6 Houd u daarom strikt aan wat er in het boek met de wet van Mozes geschreven staat en wijk daar op geen enkele manier van af. 7 Vermeng u niet met de vreemde volken die nog bij u overgebleven zijn. Neem de naam van hun goden niet in de mond en zweer er nooit bij, dien ze niet en buig u nooit voor ze neer. 8 U moet alleen de HEER, uw God, toegedaan zijn, zoals u dat tot nu toe bent geweest. 9 Hij was het die grote en machtige volken voor u verdreef, zodat niemand tegen u kon standhouden, tot op de dag van vandaag. 10 Eén van u volstond om duizend man op de vlucht te jagen, want het was de HEER, uw God, die voor u streed, zoals Hij had beloofd. 11 Daarom is het voor u van levensbelang Hem lief te hebben. 12 Als u zich van Hem afwendt en bevriend raakt met de volken die nog bij u overgebleven zijn, als u zich daarmee vermengt door huwelijken met ze aan te gaan, 13 weet dan dat de HEER, uw God, die volken niet meer voor u zal verdrijven. Dan worden ze voor u een klapnet en een valstrik, een zweep die u geselt en een doorntak die u de ogen uitsteekt, net zolang tot u allemaal bent weggevaagd uit dit goede land, dat de HEER, uw God, u gegeven heeft. 14 Luister. Nu ik de weg moet gaan die ieder mens wacht, moet u tot in het diepst van uw hart beseffen dat geen van de beloften die de HEER, uw God, u heeft gedaan, onvervuld is gebleven. Hij heeft ze alle gestand gedaan en er niet één onvervuld gelaten. 15-16 Maar zoals Hij u de voorspoed heeft geschonken die Hij had beloofd, zo zal Hij elk mogelijk onheil over u brengen als u de regels van het verbond overtreedt die Hij u heeft opgelegd. Als u andere goden gaat dienen en u voor hen neerbuigt, zal Hij u wegrukken uit dit goede land, dat Hij u gegeven heeft. Dan zal zijn woede tegen u losbarsten en zult u heel snel worden weggevaagd uit dit goede land, dat u van Hem gekregen hebt.’

Jozua’s afscheidsrede

1-2 De HEER had de Israëlieten rust gegeven door hen te verlossen van de vijanden die hen omringden. Vele jaren later riep Jozua, die toen op hoge leeftijd was gekomen, heel Israël bijeen, met alle oudsten, stamhoofden, rechters en griffiers. Hij zei tegen hen: ‘Ik heb niet lang meer te leven. 3 U hebt zelf kunnen zien wat de HEER, uw God, met al die volken heeft gedaan. Hij was het immers die voor u streed. 4 Ik heb voor uw stammen door loting het land verdeeld van de volken die ik heb uitgeroeid, van de Jordaan tot aan de Grote Zee in het westen; en eveneens het land van de volken die nog zijn overgebleven. 5 Die zal de HEER, uw God, zelf voor u uit hun land verdrijven. Dan kunt u het in bezit nemen, zoals Hij heeft beloofd. 6 Houd u daarom strikt aan wat er in het boek met de wet van Mozes geschreven staat en wijk daar op geen enkele manier van af. 7 Vermeng u niet met de vreemde volken die nog bij u overgebleven zijn. Neem de naam van hun goden niet in de mond en zweer er nooit bij, dien ze niet en buig u nooit voor ze neer. 8 U moet alleen de HEER, uw God, toegedaan zijn, zoals u dat tot nu toe bent geweest. 9 Hij was het die grote en machtige volken voor u verdreef, zodat niemand tegen u kon standhouden, tot op de dag van vandaag. 10 Eén van u volstond om duizend man op de vlucht te jagen, want het was de HEER, uw God, die voor u streed, zoals Hij had beloofd. 11 Daarom is het voor u van levensbelang Hem lief te hebben. 12 Als u zich van Hem afwendt en bevriend raakt met de volken die nog bij u overgebleven zijn, als u zich daarmee vermengt door huwelijken met ze aan te gaan, 13 weet dan dat de HEER, uw God, die volken niet meer voor u zal verdrijven. Dan worden ze voor u een klapnet en een valstrik, een zweep die u geselt en een doorntak die u de ogen uitsteekt, net zolang tot u allemaal bent weggevaagd uit dit goede land, dat de HEER, uw God, u gegeven heeft. 14 Luister. Nu ik de weg moet gaan die ieder mens wacht, moet u tot in het diepst van uw hart beseffen dat geen van de beloften die de HEER, uw God, u heeft gedaan, onvervuld is gebleven. Hij heeft ze alle gestand gedaan en er niet één onvervuld gelaten. 15-16 Maar zoals Hij u de voorspoed heeft geschonken die Hij had beloofd, zo zal Hij elk mogelijk onheil over u brengen als u de regels van het verbond overtreedt die Hij u heeft opgelegd. Als u andere goden gaat dienen en u voor hen neerbuigt, zal Hij u wegrukken uit dit goede land, dat Hij u gegeven heeft. Dan zal zijn woede tegen u losbarsten en zult u heel snel worden weggevaagd uit dit goede land, dat u van Hem gekregen hebt.’