Antiochus VII zoekt de steun van Simon

1 Antiochus, de zoon van koning Demetrius, stuurde vanaf de eilanden een brief naar Simon, de priester en vorst van de Joden, en naar heel het volk. 2 De brief luidde als volgt:

‘Koning Antiochus groet de hogepriester en vorst Simon, en het gehele Joodse volk. 3 Aangezien een paar onverlaten in het rijk van mijn voorouders de macht hebben gegrepen en ik het rijk weer wil opeisen en de oude orde wil herstellen, heb ik een groot aantal huurlingen gerekruteerd en oorlogsschepen uitgerust. 4 Ik wil nu koers zetten naar het vasteland om degenen die ons land te gronde hebben gericht en veel steden in mijn rijk hebben verwoest aan te vallen. 5 Bij dezen bekrachtig ik alle vrijstellingen van belasting die de koningen vóór mij u hebben verleend, evenals alle andere toezeggingen die ze u hebben gedaan. 6 Tevens sta ik u toe uw eigen munt te slaan, als betaalmiddel voor gebruik in eigen land. 7 Jeruzalem en de tempel blijven vrij en onbelast. Zowel de wapens waarmee u zich hebt uitgerust als de burchten die u hebt gebouwd en die in uw handen zijn, blijven uw eigendom. 8 Alle schulden aan de koninklijke schatkist en alle vorderingen door de kroon scheld ik u met ingang van heden voor altijd kwijt. 9 Wanneer wij de macht over ons rijk hebben hersteld, zullen we u, uw volk en de tempel grote eer bewijzen, zodat uw roem zich over de hele wereld verbreidt.’

10 In het jaar 174 trok Antiochus het land van zijn voorouders binnen. Bijna alle strijdkrachten sloten zich bij hem aan, zodat Tryfon slechts enkele troepen overhield. 11 Met Antiochus op zijn hielen vluchtte Tryfon naar de kustplaats Dor, 12 want hij begreep dat er slechte tijden voor hem waren aangebroken nu zijn strijdkrachten overgelopen waren. 13 Antiochus belegerde Dor met honderdtwintigduizend man voetvolk en achtduizend ruiters. 14 Door ook schepen in te zetten in de strijd kon hij de stad omsingelen en hij bestookte haar te land en ter zee. Niemand kon de stad in of uit.

Rome steunt Israël

15 Numenius en zijn metgezellen waren intussen uit Rome teruggekeerd met brieven voor verschillende koningen en landen. Hierin stond het volgende:

16 ‘Lucius, consul van de Romeinen, groet koning Ptolemeüs. 17 Gezanten van de Joden, onze vrienden en bondgenoten, zijn bij ons gekomen om het oude vriendschapsverdrag en bondgenootschap te hernieuwen. Zij waren gestuurd door de hogepriester Simon en het Joodse volk 18 en brachten een gouden schild mee van duizend mine. 19 Wij hebben besloten alle koningen en landen aan te schrijven met het dringende verzoek niets tegen de Joden te ondernemen, geen oorlog met hen te voeren, hun steden en land ongemoeid te laten en hun tegenstanders niet te steunen. 20 Wij hebben namelijk besloten het schild van hen aan te nemen. 21 Mochten sommige onverlaten uit hun land naar u zijn gevlucht, levert u hen dan uit aan de hogepriester Simon, zodat hij hen volgens de wet van hun eigen volk kan straffen.’

22 Hetzelfde schreef Lucius aan koning Demetrius, aan Attalus, Ariarates en Arsakes, 23 en aan alle volgende staten: Sampsakes, Sparta, Delos, Myndus, Sikyon, Karië, Samos, Pamfylië, Lycië, Halikarnassus, Rhodos, Faselis, Kos, Side, Aradus, Gortyna, Knidus, Cyprus en Cyrene. 24 Van al deze brieven werd een afschrift naar de hogepriester Simon gestuurd.

Vijandschap tussen Antiochus VII en Simon

25 Ondertussen hield de belegering van Dor aan. Koning Antiochus liet zijn strijdkrachten voortdurend de stad aanvallen met stormtorens. Hij hield Tryfon ingesloten zodat niemand Dor nog in of uit kon. 26 Simon stuurde tweeduizend krijgshaftige soldaten naar Antiochus om samen met hem te strijden, evenals zilver, goud en veel oorlogstuig. 27 Maar Antiochus wilde niets van hem aannemen en verbrak bovendien alle overeenkomsten die hij eerder met hem had gesloten. Hij nam afstand van Simon. 28 Hij stuurde Atenobius, een van zijn vertrouwelingen, als onderhandelaar naar Simon met de volgende boodschap: ‘U houdt Joppe, Gezer en de citadel in Jeruzalem bezet, steden die tot mijn koninkrijk behoren. 29 U hebt hun grondgebied verwoest, grote schade aangericht in het land en aanzienlijke delen van mijn rijk overmeesterd. 30 Geef de steden die u hebt ingenomen terug en draag de belastingen die u hebt geïnd in de door u veroverde gebieden buiten Judea aan mij af. 31 Anders moet u mij vijfhonderd talent zilver betalen ter vergoeding van het land en de verwoesting die u daar hebt aangericht en nog eens vijfhonderd talent voor de belasting van de steden. Weigert u dit te doen, dan verklaar ik u de oorlog.’ 32 Toen Atenobius, vertrouweling van de koning, in Jeruzalem kwam en de rijkdom van Simon zag, de drinktafel met gouden en zilveren voorwerpen en de weelde die hij tentoonspreidde, stond hij versteld. Hij bracht hem de boodschap van de koning over. 33 En Simon antwoordde hem: ‘Wij hebben geen vreemd gebied veroverd en ons niets toegeëigend dat niet van ons was, wij hebben slechts het bezit van onze voorouders heroverd dat onze vijanden een tijdlang bezet hebben gehouden. 34 Nu we de gelegenheid hiertoe hebben, houden wij ons rechtmatige bezit in handen. 35 Wat Joppe en Gezer betreft en de aanspraak die u daarop maakt: deze steden hebben ons volk en ons land zware slagen toegebracht. Niettemin zijn wij bereid u voor deze steden honderd talent te geven.’ Atenobius zei geen woord, 36 maar ging woedend naar de koning terug. Hij meldde hem Simons antwoord en vertelde hem over de weelde en alles wat hij had gezien. Daarop ontstak de koning in hevige woede.

Judas en Johannes verslaan Kendebeüs

37 Tryfon ging aan boord van een schip en vluchtte naar Ortosia. 38 De koning stelde Kendebeüs aan als bevelhebber over het kustgebied en gaf hem voetvolk en ruiterij. 39 Hij beval hem zijn kamp op te slaan aan de grens van Judea, Kedron uit te bouwen en met poorten te versterken, en vervolgens de strijd aan te binden met de Joden. Zelf zou de koning de achtervolging op Tryfon inzetten. 40 Kendebeüs trok naar Jamnia en teisterde de Joden met invallen in Judea, waarbij hij mensen gevangennam en doodde. 41 Hij versterkte Kedron en legerde er ruiterij en voetvolk om van daar de wegen van Judea onveilig te maken, zoals de koning hem had opgedragen.