1 De stem zei tegen mij: ‘Mensenkind, eet op wat je wordt voorgehouden; eet deze rol op en ga naar de Israëlieten om te profeteren.’ 2 Ik opende mijn mond en kreeg de boekrol te eten, 3 en de stem zei: ‘Mensenkind, vul je maag en je buik met deze rol, die Ik je geef.’ Ik at de rol op; hij was zo zoet als honing.

admin-ajax

Het lastigste jongetje van de klas

Ezechiël: onder de boeken van de Bijbel misschien wel ‘het lastigste jongetje van de klas’. In de tijd dat de canon van de Bijbel werd vastgesteld, twijfelde men erover of dit boek moest worden opgenomen.

4 Daarop zei de stem tegen mij: ‘Mensenkind, ga naar de Israëlieten en breng hun mijn woorden over. 5 Ik stuur je niet naar een onverstaanbaar volk met een onbegrijpelijke taal, maar naar het volk van Israël. 6 Ik stuur je niet naar een van de vele onverstaanbare volken met talen die jij niet kunt begrijpen, al zouden die zeker naar je luisteren als Ik je naar hen toe zou sturen. 7 Maar de Israëlieten zullen niet naar je willen luisteren, omdat ze niet naar Mij willen luisteren, want heel het volk van Israël is koppig en eigenzinnig. 8 Daarom maak Ik jou even onbuigzaam, en even koppig. 9 Ik maak je harder dan steen, Ik maak je zo hard als diamant; daarom hoef je voor hen niet bang te zijn, daarom mag je je niet door hen laten afschrikken, hoe opstandig ze ook zijn.’ 10 Ook zei de stem nog: ‘Mensenkind, onthoud alles wat Ik je zal zeggen, luister er aandachtig naar. 11 Ga naar de ballingen, naar je volksgenoten, om te profeteren en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER ...” – of ze nu horen willen of niet.’

12 Toen hief een geest mij op, en ik hoorde achter mij een zwaar dreunend geluid: ‘De majesteit van de HEER zij geloofd in zijn woning!’ 13 Het was het geluid van de vleugels van de wezens die elkaar raakten, en van de wielen naast hen; het klonk als een hevig dreunen. 14 De geest hief mij op en voerde mij weg. Bitter gestemd en ontdaan ging ik mee; de hand van de HEER had mij vastgegrepen. 15 Ik kwam weer in Tel-Abib, bij de ballingen die wonen bij het Kebarkanaal. Daar zat ik zeven dagen verdoofd in hun midden.

Ezechiël als wachter aangesteld

16 Toen die zeven dagen voorbij waren, richtte de HEER zich tot mij: 17 ‘Mensenkind, Ik stel jou aan als wachter over het volk van Israël: als je mijn woorden hoort moet je hen voor Mij waarschuwen. 18 Als Ik tegen een slecht mens zeg dat hij sterven zal en jij waarschuwt hem niet, je zegt niets om hem te waarschuwen voor de goddeloze weg die hij is ingeslagen, niets om zijn leven te redden, dan zal hij weliswaar sterven door zijn eigen schuld, maar jou zal Ik voor zijn dood ter verantwoording roepen. 19 Als je een slecht mens daarentegen waarschuwt dat hij tot inkeer moet komen en hij gaat toch voort op zijn goddeloze weg, dan is hij zelf schuldig aan zijn dood, maar zul jij het er levend afbrengen. 20 Als een goed mens zich niet langer rechtvaardig gedraagt maar onrecht doet, en als Ik hem dan ten val breng, zal hij sterven als jij hem niet waarschuwt. Hij zal sterven als gevolg van zijn zondig gedrag, en zijn goede daden zullen niet meer tellen, maar Ik zal jou voor zijn dood ter verantwoording roepen. 21 En als je een goed mens voorhoudt dat hij niet moet zondigen en hij zondigt niet, dan blijft hij zeker in leven omdat hij zich heeft laten waarschuwen, en ook jij zult het er levend afbrengen.’

De val van Jeruzalem aangekondigd

22 Op die plaats werd ik opnieuw door de hand van de HEER gegrepen, en Hij zei tegen mij: ‘Sta op, ga naar buiten, naar het dal, want daar wil Ik met je spreken.’ 23 Ik deed wat me gezegd was. Toen ik in het dal kwam stond daar de stralende verschijning van de HEER, die ik ook bij het Kebarkanaal gezien had, en weer wierp ik me voorover op de grond. 24 Er voer een geest in mij die me weer overeind deed komen, en de HEER zei tegen mij: ‘Mensenkind, ga naar binnen, sluit je op in je huis. 25 Je wordt er met touwen vastgebonden, zodat je niet meer naar buiten kunt gaan om je tussen de mensen te begeven. 26 Ik zal ervoor zorgen dat je tong aan je gehemelte vastkleeft, zodat je stom zult zijn. Je mag hen niet meer terechtwijzen, want ze zijn hoe dan ook opstandig. 27 Maar wanneer Ik me opnieuw tot je richt zul je weer kunnen spreken, en dan moet je tegen hen zeggen: “Dit zegt God, de HEER ...” – en wie dan luistert, die luistert, en wie niet luistert, die luistert maar niet: het is immers een opstandig volk.