1 Johannes trok op vanuit Gezer en lichtte zijn vader Simon in over de acties van Kendebeüs. 2 Simon riep zijn twee oudste zonen, Judas en Johannes, bij zich en zei tegen hen: ‘Mijn broers en ik, de hele familie van mijn vader, hebben vanaf onze jeugd tot op de dag van vandaag tegen de vijanden van Israël gestreden. Vaak is het ons gelukt Israël te redden. 3 Nu ben ik oud, en jullie zijn dankzij Gods barmhartigheid volwassen geworden. Neem daarom mijn plaats en die van mijn broer in en trek eropuit om voor ons volk te strijden. Moge de hemel jullie bijstaan.’ 4 Uit het hele land riep hij twintigduizend man voetvolk en ruiters op. Zij trokken Kendebeüs tegemoet en overnachtten in Modeïn. 5 De volgende ochtend vroeg trokken ze naar de vlakte. Daar zagen ze een groot leger van voetvolk en ruiters op zich afkomen, maar er lag een wadi tussen hen in. 6 Johannes bracht zijn troepen recht tegenover hen in stelling. Hij merkte dat zijn mannen bang waren om de wadi over te steken, en daarom stak hij zelf als eerste over. Zijn mannen zagen het en volgden hem naar de overkant. 7 Hij verdeelde het voetvolk in twee flanken en stelde de ruiters ertussenin op; de ruiterij van de tegenstander was namelijk zeer talrijk. 8 Ze lieten de trompetten schallen en Kendebeüs werd met zijn leger verjaagd. Er viel een groot aantal gewonden, en de rest vluchtte naar de burcht. 9 Johannes’ broer Judas raakte gewond; Johannes zelf achtervolgde de vijand tot in Kedron, de stad die door Kendebeüs versterkt was. 10 De vijand vluchtte tot in de torens in de velden rond Azotus. Maar Johannes stak de torens in brand, zodat nog zo’n tweeduizend mannen omkwamen. Daarna keerde hij behouden naar Judea terug.

De dood van Simon

11 Ptolemeüs, de zoon van Abubus, was als bevelhebber aangesteld in de vlakte van Jericho. Hij bezat veel zilver en goud, 12 want hij was een schoonzoon van de hogepriester. 13 Hij had het hoogmoedige plan opgevat heer en meester te worden over het land, en daarom beraamde hij een aanslag op Simon en zijn zonen. 14 Simon ging de steden langs om te inventariseren wat ze nodig hadden. In de elfde maand van het jaar 177, dat is de maand sebat, kwam hij, samen met zijn zonen Mattatias en Judas, in Jericho. 15 De zoon van Abubus ontving hen in de kleine burcht Dok, die hij zelf gebouwd had, en richtte er onder valse voorwendselen een groot drinkgelag voor hen aan. Hij had zijn mannen verdekt opgesteld, 16 en toen Simon en zijn zonen dronken waren, kwamen Ptolemeüs en zijn handlangers in actie: ze grepen hun wapens, drongen de eetzaal binnen en doodden Simon, zijn twee zonen en enkele van zijn dienaren. 17 Met deze trouweloze daad vergold hij goed met kwaad. 18 Ptolemeüs schreef een brief aan de koning om te vertellen wat er was voorgevallen, met het verzoek om hem hulptroepen te sturen en het bestuur over de steden aan hem over te dragen. 19 Hij stuurde een paar mannen naar Gezer om Johannes te doden en deed alle bevelhebbers over duizend man een brief toekomen met het verzoek zich bij hem te melden, dan zou hij hun zilver en goud en andere geschenken geven. 20 De rest van zijn mannen stuurde hij naar Jeruzalem om de stad en de tempelberg in te nemen. 21 Maar iemand rende naar Gezer en liet Johannes weten dat zijn vader en zijn broers waren omgekomen en waarschuwde hem dat Ptolemeüs handlangers gestuurd had om ook hem te doden. 22 Toen Johannes dit hoorde, was hij hevig geschokt. De mannen die kwamen om hem uit de weg te ruimen liet hij oppakken en doden, want hij wist wat ze met hem van plan waren.

23 Verdere bijzonderheden over Johannes, over de veldslagen die hij heeft geleverd, de heldendaden die hij heeft verricht, de muren die hij heeft gebouwd en al het andere – 24 dat alles is opgetekend in de kronieken van zijn hogepriesterschap, vanaf de dag dat hij zijn vader als hogepriester opvolgde.