De dood van Judas

1 Toen Demetrius hoorde dat Nikanor en zijn leger verslagen waren, stuurde hij Bakchides en Alkimus een tweede maal naar Judea, nu met zijn keurtroepen. 2 Ze namen de weg naar Galilea en sloegen hun kamp op bij Mesalot in Arbela. Ze veroverden het en doodden een groot aantal mensen. 3 In de eerste maand van het jaar 152 sloegen ze hun kamp op bij Jeruzalem. 4 Van daaruit trokken ze met twintigduizend man voetvolk en tweeduizend ruiters op naar Berea. 5 Judas had met drieduizend geoefende soldaten zijn kamp opgeslagen in Elasa. 6 Toen de Joden zagen hoe groot de legermacht van hun tegenstander was, sloeg de schrik hun om het hart. Velen deserteerden, zodat er uiteindelijk maar achthonderd mannen over waren. 7 Judas merkte dat zijn leger uiteenviel en dat de vijand op het punt stond om aan te vallen. Hij was ten einde raad, want hij wist niet hoe hij zijn soldaten weer samen moest brengen. 8 Wanhopig zei hij tegen degenen die nog over waren: ‘Laten we toch maar tegen de vijand ten strijde trekken, misschien kunnen we ze het hoofd bieden.’ 9 Maar zij gingen tegen hem in en zeiden: ‘Dat lukt ons nooit. We kunnen onszelf beter in veiligheid brengen en later samen met onze broeders de strijd met hen aangaan. Nu zijn we met te weinig.’ 10 Judas antwoordde: ‘Dat nooit! We slaan zeker niet voor hen op de vlucht. Als onze tijd gekomen is, moeten we moedig voor onze broeders sterven, in plaats van onszelf een slechte naam te bezorgen.’ 11 Toen verlieten de vijandelijke troepen hun kamp en stelden zich tegenover het Joodse leger op. Hun ruiterij was in tweeën gesplitst, de slingeraars en boogschutters liepen voor het leger uit, de allerbeste soldaten stonden in de frontlinie. 12 Bakchides bevond zich in de rechterflank. Het voetvolk trok aan twee zijden gedekt en onder trompetgeschal op, en ook de soldaten van Judas bliezen op trompetten. 13 De aarde dreunde onder het geweld van de beide legers. De strijd duurde van de vroege ochtend tot de avond. 14 Toen Judas zag dat Bakchides zich met de beste troepen in de rechterflank bevond, ging hij daar met zijn dapperste mannen op af. 15 Hij deed een verpletterende aanval op de rechterflank en achtervolgde de manschappen tot aan de hellingen van het gebergte van Azotus. 16 Toen de soldaten van de linkerflank zagen dat de rechterflank gebroken was, draaiden ze zich om en gingen Judas en zijn mannen achterna. 17 Het werd een bittere strijd en aan beide zijden vielen vele gewonden. 18 Judas sneuvelde en de anderen vluchtten. 19 Jonatan en Simon namen hun broer Judas mee en begroeven hem in het graf van hun voorouders in Modeïn. 20 Ze treurden om hem en heel Israël gaf zich over aan diepe rouw. De mensen weeklaagden dagenlang: 21 ‘Ach, dat de held heeft kunnen sneuvelen, de redder van Israël.’

22 Verdere bijzonderheden over Judas, zijn veldslagen, de manmoedige daden die hij heeft verricht en al het andere dat van zijn grootheid getuigt, zijn niet opgetekend – het is te veel om op te noemen.

Jonatan

23 Na de dood van Judas doken in alle gebieden van Israël de wetsverachters weer op en alle onruststokers kwamen weer tevoorschijn. 24 Toen er ook nog een zware hongersnood uitbrak, liep de bevolking naar hen over. 25 Bakchides stelde enkele van die afvallige mannen aan als regeerders van het land. 26 Zij spoorden aanhangers van Judas op en brachten hen voor Bakchides, die hen strafte en bespotte. 27 Israël werd onderdrukt zoals sinds de laatste profeet niet meer was gebeurd. 28 Daarom verzamelden de aanhangers van Judas zich, en ze zeiden tegen Jonatan: 29 ‘Sinds de dood van uw broer Judas is er niemand meer zoals hij om op te trekken tegen onze vijanden, tegen Bakchides of tegen de verraders van ons volk. 30 Daarom hebben wij vandaag u gekozen om in zijn plaats onze leider en aanvoerder in de strijd te zijn.’ 31 En zo nam Jonatan de leiding op zich als opvolger van zijn broer Judas.

Jonatans eerste overwinning op Bakchides

32 Toen Bakchides dit te weten kwam, wilde hij Jonatan doden. 33 Jonatan en zijn broer Simon en al hun aanhangers hoorden ervan en vluchtten naar de woestijn van Tekoa. Ze sloegen hun kamp op bij de waterput van Asfar. 34 Dit kwam Bakchides op sabbat ter ore en meteen stak hij met heel zijn leger de Jordaan over. 35 Jonatan stuurde zijn broer Johannes aan het hoofd van een grote groep mensen naar de Nabateeërs, die met hem bevriend waren, met het verzoek of ze hun omvangrijke bagage bij hen in bewaring konden geven. 36 Maar de Jambrieten uit Medeba rukten tegen hen op, overmeesterden Johannes, grepen alles wat hij met zich meevoerde en maakten zich uit de voeten. 37 Enige tijd daarna hoorden Jonatan en zijn broer Simon dat de Jambrieten een grote bruiloft gingen vieren. De bruid, een dochter van een van de meest vooraanstaande mannen van Kanaän, zou met een groot gevolg in Nadabat worden opgehaald. 38 Met het bloed van hun broer Johannes in gedachten trokken zij op en verborgen zich in een bergspleet. 39 Van daaruit zagen ze een rumoerige stoet naderen met een grote vracht bagage. Het waren de bruidegom, zijn vrienden en zijn broers, die met muziek en tromgeroffel en in volle wapenrusting hun kant op kwamen. 40 Jonatan en Simon kwamen uit hun hinderlaag tevoorschijn en richtten een bloedbad aan; er vielen veel gewonden en de overigen vluchtten de bergen in. Al hun bezittingen namen ze in beslag. 41 Zo veranderde het feest in rouwbetoon en de bruidsmuziek in een rouwklacht. 42 Het bloed van hun broer was gewroken. Daarna keerden ze terug naar het moerasland van de Jordaan.

43 Toen Bakchides hiervan hoorde, trok hij op sabbat met een groot leger op tot aan de oevers van de Jordaan. 44 Jonatan zei tegen zijn mannen: ‘Vooruit! We moeten vechten voor ons leven, want zo slecht als vandaag heeft het er nog nooit voor ons uitgezien: 45 van voren en van achteren worden we aangevallen, en links en rechts is er niets anders dan het water van de Jordaan, moeras en struikgewas, we kunnen nergens heen! 46 Smeek de hemel dat jullie uit de handen van de vijand gered mogen worden!’ 47 De strijd begon. Jonatan hief zijn arm om Bakchides neer te slaan, maar deze week achteruit. 48 Daarop sprongen Jonatan en zijn aanhangers het water in en zwommen naar de overkant. Maar de vijand ging hen niet achterna en stak de Jordaan niet over. 49 Die dag vielen er aan de kant van Bakchides ongeveer duizend man. 50 Bakchides keerde terug naar Jeruzalem en begon aan de bouw van versterkingen in Judea: de burcht in Jericho en de steden Emmaüs, Bet-Choron, Betel, Timna, Faraton en Tefon werden voorzien van hoge muren en vergrendelbare poorten. 51 Hij legerde er garnizoenen om Israël in bedwang te houden. 52 Hij versterkte Bet-Sur, Gezer en de citadel, stationeerde er strijdkrachten en sloeg er voedselvoorraden op. 53 Ten slotte liet hij de zonen van de leiders van het land gijzelen en opsluiten in de citadel in Jeruzalem.

54 In de tweede maand van het jaar 153 gaf Alkimus bevel de muur van de binnenhof van het heiligdom neer te halen om zo het werk van de profeten teniet te doen. Men was nog maar net met de afbraak begonnen, 55 toen Alkimus werd getroffen door een ziekte en zijn plannen moest laten varen. Zijn spraakvermogen was aangetast, hij was verlamd en hij kon dus geen woord meer uitbrengen, laat staan zijn zaken afwikkelen. 56 Niet lang daarna stierf hij in hevige pijn. 57 Toen Bakchides vernam dat Alkimus was gestorven, keerde hij naar de koning terug. Daarna had Judea twee jaar rust.

Bakchides voorgoed verdreven

58 Alle wettelozen kwamen bijeen om te beraadslagen. Ze zeiden: ‘Jonatan en zijn aanhangers leven rustig en onbezorgd. Wanneer we Bakchides nu laten komen, kan hij hen allemaal in één nacht gevangennemen.’ 59 Dit voorstel legden ze aan hem voor, 60 waarna Bakchides er met een groot leger op uit trok en in het geheim brieven naar al zijn bondgenoten in Judea stuurde, met de opdracht Jonatan en zijn aanhangers gevangen te nemen. Maar ze slaagden er niet in, want het plan lekte uit 61 en ongeveer vijftig van de aanstichters werden gedood. 62 Daarna trokken Jonatan en Simon met hun mannen naar Bet-Bassi in de woestijn. Ze bouwden wat verwoest was weer op en versterkten de stad. 63 Toen Bakchides hiervan hoorde, trok hij al zijn troepen samen en riep hij ook zijn aanhangers in Judea op. 64 Hij rukte uit en sloeg zijn kamp op bij Bet-Bassi, waarna ze de stad dagenlang vanuit stormtorens aanvielen. 65 Jonatan liet zijn broer Simon in de stad achter en trok zelf met een aantal mannen de omgeving in. 66 Hij viel Odomera en zijn verwanten aan, en ook de Fasirieten in hun tentenkamp. Daarna trokken ze op tegen het leger van de vijand en openden de aanval, 67 terwijl Simon en zijn mannen een uitval deden vanuit de stad en de stormtorens in brand staken. 68 Bakchides werd daarbij vernietigend verslagen, wat een zware tegenslag voor hem betekende, want met het mislukken van deze veldtocht was zijn hele onderneming op niets uitgelopen. 69 Hij was razend op de wettelozen die hem hadden overgehaald te komen en liet een groot aantal van hen ter dood brengen. Daarna besloot hij om weer naar zijn eigen land terug te keren. 70 Toen Jonatan hiervan hoorde, stuurde hij onderhandelaars naar Bakchides om vrede met hem te sluiten en de krijgsgevangenen uitgeleverd te krijgen. 71 Bakchides aanvaardde het vredesaanbod en hield zijn woord. Hij zwoer dat hij hem de rest van zijn leven niet meer tot last zou zijn. 72 Ook droeg hij de mensen die hij eerder in Judea krijgsgevangen had gemaakt aan Jonatan over. Daarna keerde hij naar zijn land terug en zette nooit meer een voet over de grens. 73 Daarmee kwam een einde aan de oorlog in Israël. Jonatan ging in Michmas wonen. Hij werd rechter over het volk en verdreef de afvalligen uit Israël.