Het verraad van Alkimus

1 Drie jaar later kwam Judas en zijn mannen ter ore dat Demetrius, de zoon van Seleukus, met een vloot met een groot leger aan boord de haven van Tripolis was binnengevaren. 2 Hij had Antiochus en diens voogd Lysias gedood en zich van het rijk meester gemaakt. 3 Een zekere Alkimus, een vroegere hogepriester, had zichzelf ten tijde van de opstand uit eigen beweging ontwijd en was zich ervan bewust dat hij niet langer veilig was en nooit meer toegang zou krijgen tot het heilige altaar. 4 Daarom ging hij in het jaar 151 of daaromtrent naar koning Demetrius om hem een gouden krans en een palmtak te overhandigen. Ook bood hij hem, zoals gebruikelijk, olijftakken uit de tempel aan. Verder deed hij die dag nog niets. 5 Maar toen hij door Demetrius in de raadsvergadering werd ontboden om uiteen te zetten hoe de stemming en gezindheid van de Joden was, zag hij zijn kans schoon om zijn waanzinnige plannen ten uitvoer te brengen en gaf hij de koning het volgende antwoord: 6 ‘De groep Joden die zich chasideeën noemen en die onder leiding staan van Judas Makkabeüs, is nog steeds opstandig. Zij blijven de vijandelijkheden voortzetten en brengen zo de stabiliteit van het rijk in gevaar. 7 Dat is de reden waarom ik, beroofd van de waardigheid die mijn familie toekomt – ik bedoel het hogepriesterschap –, hierheen ben gekomen. 8 Ik doe dit in de eerste plaats met het oog op de belangen van de koning, maar daarnaast ook uit bezorgdheid om het welzijn van mijn volksgenoten, want door het onbezonnen optreden van voornoemde personen heeft ons hele volk ernstig te lijden. 9 Nu u dit alles weet, majesteit, wil ik u verzoeken de zorg voor ons land en ons benarde volk op u te nemen met de vriendelijke welwillendheid waarmee u eenieder tegemoet treedt. 10 Zolang Judas in leven is, kan er geen vrede heersen in uw koninkrijk.’ 11 Nauwelijks was hij uitgesproken of de overige vertrouwelingen van de koning, die eveneens zeer gekant waren tegen Judas en zijn zaak, wakkerden Demetrius’ woede nog verder aan. 12 Meteen wees deze Nikanor, die voorheen was belast met het bevel over het eskadron olifanten, als bevelhebber in Judea aan. Hij stuurde hem ernaartoe 13 met de opdracht Judas te doden en zijn mannen uiteen te slaan. En Alkimus moest weer worden hersteld in het ambt van hogepriester van de grote tempel. 14 De vreemde volken die voor Judas uit Judea waren gevlucht, hoopten dat de rampspoed en ellende van de Joden hunzelf voorspoed zou brengen en sloten zich in groten getale bij Nikanor aan.

15 Toen Judas en zijn mannen hoorden dat Nikanor in aantocht was en de vreemde volken hen wilden aanvallen, wierpen ze stof over zich heen en richtten ze een smeekgebed tot Hem die Israël voor eeuwig tot zijn volk en eigendom heeft gemaakt en het steeds opnieuw heeft geholpen door te verschijnen wanneer dat nodig was. 16 Op het sein van hun aanvoerder rukten ze vervolgens direct uit. Bij het dorp Dessaü kwam het tot een treffen. 17 Judas’ broer Simon raakte slaags met Nikanor en werd door de plotselinge komst van de aanvallers langzaam teruggedreven. 18 Maar Nikanor durfde het er niet op aan te laten komen de zaak gewapenderhand te beslissen, want hij had gehoord over de moed en strijdlust waarmee Judas en zijn mannen bereid waren hun vaderland te verdedigen. 19 In plaats daarvan vaardigde hij Posidonius, Theodotus en Mattatias af om vredesonderhandelingen te openen. 20 Hun voorstellen werden zorgvuldig bestudeerd, en nadat de aanvoerder met zijn troepen had overlegd, werd het verdrag eenstemmig aanvaard. 21 Op de dag die voor de ontmoeting tussen Judas en Nikanor was bepaald, kwam elk in zijn strijdwagen aanrijden. Er waren zetels voor hen klaargezet. 22 Judas had op strategische punten gewapende manschappen opgesteld voor het geval de vijand plotseling een verraderlijke aanval zou doen, maar de bespreking verliep zonder incidenten.

23 Nikanor deed tijdens zijn verblijf in Jeruzalem niets onbehoorlijks; hij stuurde zelfs de mensen weg die zich in groten getale bij hem hadden aangesloten. 24 Hij zocht dikwijls Judas’ gezelschap en raakte zeer op hem gesteld. 25 Hij raadde hem aan te trouwen en een gezin te stichten. Judas volgde die raad op en leidde vanaf toen een rustig en vreedzaam leven.

26 Toen Alkimus merkte dat Nikanor met Judas op vriendschappelijke voet verkeerde, ging hij met een exemplaar van het gesloten verdrag naar Demetrius en vertelde hem dat Nikanor het landsbelang uit het oog had verloren door Judas, de verrader van het koninkrijk, tot zijn plaatsvervanger te benoemen. 27 Opgehitst door de aantijgingen van deze schurk ontstak de koning in woede. Hij schreef een brief aan Nikanor, waarin hij onderstreepte dat hij hevig ontstemd was over het verdrag en hem opdroeg de Makkabeeër onmiddellijk gevangen te nemen en naar Antiochië te sturen. 28 Dit bevel bracht Nikanor in ernstige gewetensnood. Hij kon het niet over zijn hart verkrijgen het verdrag te schenden terwijl Judas niets verkeerds had gedaan. 29 Maar omdat hij evenmin tegen het bevel van de koning kon ingaan, zocht hij naar een mogelijkheid om het op een slimme manier ten uitvoer te brengen. 30 De Makkabeeër merkte echter dat Nikanor zich nogal stuurs tegenover hem begon te gedragen en heel wat minder vriendelijk met hem omging dan voorheen, en concludeerde dat deze norsheid niet veel goeds voorspelde. Daarom verborg hij zich met een groot aantal van zijn mannen voor Nikanor. 31 Toen deze begreep dat Judas hem op meesterlijke wijze te slim af was geweest, ging hij naar de hoogheilige tempel, waar de priesters aan het offeren waren, en hij beval hun de man uit te leveren. 32 De priesters verklaarden echter onder ede dat ze niet wisten waar de gezochte zich bevond. 33 Daarop hief Nikanor zijn rechterhand op naar de tempel en zwoer: ‘Als u Judas niet geboeid aan mij uitlevert, zal ik de heilige tempel van God met de grond gelijkmaken, het altaar vernietigen en hier een schitterende tempel voor Dionysus neerzetten.’ 34 Zodra hij weg was, hieven de priesters hun handen op naar de hemel en riepen Hem aan die in alle omstandigheden ons volk verdedigt: 35 ‘U, Heer, U hebt niets nodig, en toch heeft het U behaagd dat er een tempel zou zijn waarin U te midden van ons kunt wonen. 36 Behoed daarom, allerheiligste Heer, deze tempel, die nog maar zo kort geleden werd gereinigd, voor eeuwig voor bezoedeling.’

De dood van Razis

37 Aan Nikanor werd gerapporteerd dat Razis, een van de oudsten van Jeruzalem, bekendstond als zeer vaderlandslievend. Hij genoot een goede reputatie en had vanwege zijn toewijding de bijnaam ‘Vader van de Joden’ gekregen. 38 In het verleden, tijdens de opstand, had hij namelijk terechtgestaan omdat hij vasthield aan de Joodse levenswijze en hij had toen vastberaden geweigerd zijn overtuiging op te geven, hoewel zijn leven op het spel stond. 39 Nikanor wilde duidelijk maken dat zijn vijandige gezindheid tegenover de Joden hem ernst was. Daarom stuurde hij meer dan vijfhonderd soldaten eropuit om Razis gevangen te nemen, 40 want hij was ervan overtuigd dat zijn aanhouding voor de Joden een zware slag zou betekenen. 41 Om de toren waarin Razis zich verschanst had in te nemen, begonnen de soldaten de toegangsdeur te rammen, onderwijl schreeuwend dat er vuur moest komen om de binnendeuren in brand te steken. Razis, die begreep dat er voor hem geen uitweg meer was, doorstak zich met zijn eigen zwaard, 42 want hij wilde liever een nobele dood sterven dan in handen vallen van die onverlaten en onteerd worden op een manier die niet zou stroken met zijn waardige karakter. 43 Maar in zijn haast stak hij mis, en terwijl de meute door de poortdeuren binnendrong, klom hij onverschrokken en zo snel als hij kon boven op de muur en wierp zich manmoedig naar beneden, midden in de menigte. 44 In allerijl weken de mensen uiteen om plaats te maken voor zijn neerstortende lichaam. 45 Maar nog was hij niet dood. Woedend stond hij op en baande zich, gewond als hij was, zo snel hij kon een weg door de menigte, terwijl het bloed uit zijn lichaam stroomde. Hij ging boven op een steile rots staan 46 en trok, helemaal leeggebloed, zijn ingewanden met beide handen naar buiten en slingerde ze de menigte in, terwijl hij de Heer die de levensadem schenkt smeekte ze hem weer terug te geven. Zo stierf hij dan eindelijk.