1 Jeruzalem, leg het gewaad van je verdriet en je lijden af

en hul je voorgoed in de waardigheid van Gods majesteit;

2 sla de mantel van Gods gerechtigheid om

en zet de kroon van de luister van de Eeuwige op je hoofd.

3 Overal onder de hemel zal God jouw schittering tonen;

4 voor eeuwig luidt de naam die God je geeft:

Vrede door gerechtigheid, Luister door vroomheid.

5 Richt je op, Jeruzalem, ga staan op de berg,

richt je blik naar het oosten en zie je kinderen,

uit alle windstreken bijeengeroepen door de Heilige,

zich verheugend over Gods trouw.

6 Te voet gingen ze bij je vandaan, meegevoerd door de vijand,

maar vorstelijk is hun intocht, nu God hen bij je terugbrengt.

7 Hij gebood elke hoge berg en iedere aloude heuvel

hun hoogte te slechten, en elk ravijn zich te vullen,

opdat de aarde geëffend zou worden

en Israël, door Gods macht, met vaste tred kan gaan.

8 De bossen en alle geurige bomen

bieden op Gods bevel aan Israël hun schaduw.

9 God zal Israël met vreugde leiden

bij het licht van zijn luister,

onder betoon van zijn barmhartigheid en gerechtigheid.