1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: “Dit zegt God, de HEER: Je bent hoogmoedig geworden, je hebt gezegd: ‘Ik ben een god, ik zit op een godentroon, midden in zee.’ Je achtte jezelf een god gelijk, terwijl je een mens bent, en geen god. 3 Zeker, je bent wijs, zelfs wijzer dan Daniël, geen mysterie blijft voor je verborgen. 4 Door je wijsheid en inzicht ben je welvarend geworden en heb je je schatkamers met goud en zilver gevuld. 5 Door je grote wijsheid en je handelsgeest heb je je rijkdom nog vergroot, maar die rijkdom heeft je ook hoogmoedig gemaakt.

6 Daarom – dit zegt God, de HEER: Omdat je jezelf een god gelijk acht, 7 zal Ik vreemde volken op je afsturen, de wreedste van alle, die met hun zwaarden al je schitterende wijsheid zullen vernietigen en je van je luister zullen beroven. 8 Ze zullen je het graf in drijven, je zult een gewelddadige dood sterven, in het hart van de zee. 9 Zul je blijven zeggen: ‘Ik ben een god!’ als je oog in oog staat met je moordenaars? Wanneer je in de macht bent van hen die je zullen doden, zal blijken dat je een mens bent, en geen god. 10 Je zult de dood van een onbesnedene sterven, door de hand van vreemdelingen. Ik heb gesproken – spreekt God, de HEER.”’


admin-ajax (8)

O, die voorzetsels! - uitslag van de lezersenquête

In een eerdere nieuwsbrief hebben we de lezers van de nieuwsbrief twee kwesties voorgelegd. Dank voor het meedoen!

11 De HEER richtte zich tot mij: 12 ‘Mensenkind, hef over de koning van Tyrus een dodenklacht aan: “Dit zegt God, de HEER: Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid. 13 Je leefde in Eden, in de tuin van God, en je was bekleed met een keur van edelstenen: met robijn, topaas en aquamarijn, met turkoois, onyx en jaspis, met saffier, granaat en smaragd, gevat in gouden zettingen. Op de dag dat je geschapen werd lagen ze klaar. 14 Je was een cherub, je vleugels beschermend uitgespreid, je was door Mij neergezet op de heilige berg van God, waar je wandelde tussen vurige stenen. 15 Je was onberispelijk in alles wat je deed, vanaf de dag dat je was geschapen tot het moment dat het kwaad vat op je kreeg. 16 Door al het handeldrijven raakte je verstrikt in onrecht en geweld, en je zondigde; daarom, beschermende cherub, verbande Ik je van de berg van God en verdreef Ik je van je plaats tussen de vurige stenen. 17 Je schoonheid had je hoogmoedig gemaakt, je had je wijsheid en luister verkwanseld. Daarom heb Ik je op de aarde neergeworpen, als een schouwspel voor andere koningen. 18 Door je grote schuld, door je oneerlijke handel, waren je heiligdommen ontwijd. Daarom liet Ik een vuur in je oplaaien dat je heeft verteerd, Ik maakte van jou een hoop as op de grond, voor ieder die het wil zien. 19 Alle volken die je kenden staan verbijsterd over je lot; je bent een schrikbeeld geworden, tot in eeuwigheid zul je er niet meer zijn.”’

Profetie tegen Sidon

20 De HEER richtte zich tot mij: 21 ‘Mensenkind, richt je blik op Sidon en profeteer tegen de stad. 22 Zeg: “Dit zegt God, de HEER: Ik keer me tegen je, Sidon! Zo zal Ik mijn majesteit tonen. Ze zullen weten dat Ik de HEER ben als Ik Sidon straf, zo zal Ik laten zien dat Ik heilig ben. 23 Ik zal de pest op de stad afsturen, het bloed zal door de straten stromen. De stad zal vol zijn met doden en gewonden, het zwaard komt van alle kanten; ze zullen weten dat Ik de HEER ben. 24 Maar het volk van Israël zal niet meer worden gepijnigd en geteisterd door dorens en distels, door de omringende volken die nu op hen neerkijken. Dan zullen ze beseffen dat Ik God, de HEER, ben.

25 Dit zegt God, de HEER: Ik zal het volk van Israël bijeenbrengen vanuit de landen waarover het is verstrooid – zo zal Ik alle volken laten zien dat Ik heilig ben. De Israëlieten zullen weer wonen in hun eigen land, het land dat Ik aan mijn dienaar Jakob heb gegeven. 26 Wanneer Ik de omringende volken die nu op hen neerkijken heb gestraft, zullen de Israëlieten daar veilig wonen. Ze zullen er in veiligheid huizen bouwen en wijngaarden planten, en ze zullen beseffen dat Ik, de HEER, hun God ben.”’