Oordeel over de slechte leiders

1 Wee de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm;

bedwelmd door de wijn pronken zij met de stad

die de vruchtbare vallei bekroont,

maar hun prachtige sieraad is een bloem die verwelkt.

2 Want de Heer beschikt over iemand,

sterk als een hevige hagelbui, als een wervelwind,

krachtig als een kolkende watermassa,

die met zijn machtige hand alles omver zal stoten.

3 De trotse kroon van de dronkaards van Efraïm

zal worden vertrapt.

4 Dit pronkstuk van de vruchtbare vallei,

dit prachtige sieraad, zal als een bloem verwelken,

verdwijnen als een vroege vijg,

vóór de oogst ontdekt en onmiddellijk opgegeten.

5 Op die dag zal de HEER van de hemelse machten

de sierlijke kroon zijn, de prachtige krans

voor wie er van zijn volk nog over zijn;

6 wie zetelt op de rechterstoel

zal Hij met zuiver recht bezielen,

en heldenmoed schenkt Hij aan hen

die de vijand uit de stad verdrijven.


7 Maar zelfs priesters waggelen van de wijn,

profeten wankelen door de drank:

ze waggelen door de drank

en zijn verward door de wijn;

de drank doet hen wankelen,

waggelend hebben ze visioenen,

zwalkend doen ze hun uitspraken.

8 Hun tafels zitten onder het braaksel,

geen plekje dat niet walgelijk besmeurd is.

9 ‘Wie tracht hij nu kennis bij te brengen?

Wie wil hij met zijn boodschap inzicht geven?

Houdt hij ons soms voor zuigelingen,

nog maar net de moederborst ontwend?

10 Hoor hem: “Tsav latsav, tsav latsav, kav lakav, kav lakav,

beetje van dit, beetje van dat.”’

11 Inderdaad, door mensen met een vreemde tongval,

in een andere taal, spreekt de HEER tot dit volk.

12 Ooit heeft Hij tegen hen gezegd:

‘Hier is rust, hier vind je verpozing,

laat wie vermoeid is hier rusten.’

Maar ze weigerden naar Hem te luisteren.

13 Daarom horen zij nu van de HEER:

‘Tsav latsav, tsav latsav, kav lakav, kav lakav,

beetje van dit, beetje van dat.’

En zo gaan ze op weg, maar ze struikelen,

ze raken gewond, verstrikt, en worden gevangen.


14 Daarom, hoor de woorden van de HEER, jullie spotters,

leiders van het volk van Jeruzalem.

15 Jullie zeiden:

‘Wij hebben een verbond gesloten met de dood,

met het dodenrijk zijn we een verdrag aangegaan.

Wanneer de kolkende stortvloed voorbijraast

zal die ons niet bereiken.

Wij houden ons schuil in bedrog

en verbergen ons in leugens.’

16 Maar dit zegt God, de HEER:

Ik leg in Sion een fundament

met een uitgelezen grondsteen, een kostbare hoeksteen.

Wie vertrouwen heeft, vlucht niet weg.

17 Ik zal het recht als meetlint hanteren

en de gerechtigheid als schietlood.

De hagel vernietigt de schuilhoek van je bedrog,

het water spoelt jullie schuilplaats weg.

18 Jullie verbond met de dood wordt verbroken,

jullie verdrag met het dodenrijk houdt geen stand.

Wanneer de kolkende stortvloed voorbijraast

zal hij jullie volledig bedelven.

19 Dag in dag uit komt hij voorbij,

in de morgen, in de nacht,

en telkens als hij langskomt zal hij jullie treffen.

Hoe verschrikkelijk is het om de boodschap te verstaan!

20 Het bed is te kort om je op uit te strekken,

de deken te smal om je in te wikkelen.

21 De HEER zal opstaan

zoals destijds op de Perasim,

Hij zal grote beroering veroorzaken

zoals in de vlakte bij Gibeon:

Hij zal iets tot stand brengen, iets vreemds,

Hij gaat iets ongewoons volbrengen.

22 Nu dan, staak jullie spotternijen,

anders zullen jullie boeien nog meer knellen.

Want dit heb ik gehoord:

God, de HEER van de hemelse machten,

heeft besloten tot vernietiging van het hele land.

Gods wijsheid

23 Hoor mij aan en leen mij je oor,

luister aandachtig naar mijn woorden.

24 Als een boer zaaien wil, ploegt hij dan alle dagen?

Blijft hij voren trekken in zijn land?

25 Als hij het land geëffend heeft,

strooit hij toch komijn en karwij,

zaait tarwe in rijen, gerst in vakken

en spelt langs de rand van zijn akker?

26 Het is zijn God die hem daarin onderricht,

die hem leert wat hij moet doen.

27 Zo dorst men komijn niet met een dorsslede

en over karwij rolt men geen wagenrad;

komijn wordt met een stok uitgeklopt

en karwij met een roede.

28 Graan moet voor brood worden fijngemalen;

maar een boer blijft niet eindeloos dorsen:

hij stuurt zijn paarden en het wagenrad eroverheen,

maar hij laat het niet verpletteren.

29 Ook dit vindt zijn oorsprong

bij de HEER van de hemelse machten:

zijn beleid is wonderbaarlijk,

zijn wijsheid is groot.