Nebukadnessars wraak

1 In het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste dag van de eerste maand, werd in het paleis van Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, het bevel uitgevaardigd dat er wraak genomen moest worden op de hele wereld, zoals hij aangekondigd had. 2 Hij riep al zijn dienaren en zijn edelen bijeen en bracht hen van zijn geheime besluit op de hoogte: hij sprak het vonnis uit dat hij over de hele wereld had geveld. 3 Zij deelden zijn opvatting dat iedereen die geen gevolg had gegeven aan zijn oproep moest worden uitgeroeid.

4 Nadat Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, zijn besluit bekrachtigd had, ontbood hij Holofernes, de opperbevelhebber van zijn leger en tweede man in zijn rijk. Hij zei tegen hem: 5 ‘Dit zegt de grote koning, de heer van de hele aarde: Trek weg van hier, en neem ervaren soldaten met u mee, honderdtwintigduizend man voetvolk en twaalfduizend ruiters met hun paarden. 6 Trek op tegen de volken in het westen, want ze hebben aan mijn oproep geen gehoor gegeven. 7 Zeg hun uit mijn naam dat ze ten teken van overgave aarde en water gereedmaken, want in mijn woede zal ik tegen hen optrekken en met mijn legermacht heel hun gebied onder de voet lopen en plunderen. 8 Ravijnen en bergstromen zullen zich met hun gewonden vullen, rivieren boordevol doden zullen buiten hun oevers treden, 9 en de gevangenen zal ik wegvoeren naar de uiteinden van de aarde. 10 Trek eropuit en bezet hun hele gebied voor mij. Degenen die zich aan u overgeven, moet u sparen tot de dag komt dat ik hen zal straffen. 11 Maar degenen die zich blijven verzetten, mag u niet ontzien: u moet hen in het hele gebied prijsgeven aan dood en plundering. 12 Zo waar ik leef en bij de macht van mijn koningschap: ik heb gesproken en ik zal het ten uitvoer brengen. 13 Wat u aangaat: laat niets na van hetgeen uw heer u geboden heeft, maar voer alles volledig en zonder aarzelen uit zoals ik heb bevolen.’

14 Holofernes verliet het hof van zijn heer. Hij riep alle vorsten, veldheren en oversten van het Assyrische leger bijeen, 15 rekruteerde overeenkomstig het bevel van zijn heer honderdtwintigduizend man voor zijn keurtroepen en twaalfduizend boogschutters te paard, 16 en stelde hen op zoals dat bij een grote strijdmacht gebruikelijk is. 17 Voor het vervoer van hun uitrusting zette hij een zeer groot aantal kamelen, ezels en muilezels in. Verder nam hij ontelbaar veel schapen, runderen en geiten mee om alle soldaten te voeden, 18 naast een grote hoeveelheid andere proviand en zeer veel goud en zilver uit het koninklijk paleis. 19 Toen trok Holofernes aan het hoofd van zijn legermacht op om, voor koning Nebukadnessar uit, het hele westelijke gebied te bedelven onder zijn strijdwagens, zijn ruiters en zijn beste voetvolk. 20 Er trokken hulptroepen met hen mee, zo talrijk als een zwerm sprinkhanen, zo veel als er zand is op de aarde, een menigte die niet te tellen was.

21 Vanuit Nineve trokken ze drie dagmarsen in de richting van de vlakte van Bektilet. Op enige afstand van Bektilet legerden ze zich bij het gebergte ten noorden van Boven-Cilicië. 22 Van daar trok hij met zijn hele legermacht – voetvolk, ruiters en strijdwagens – het gebergte in. 23 Hij brak door de gelederen van Libië en Lydië en plunderde alle Rassieten en Ismaëlieten die aan de rand van de woestijn ten zuiden van Cheleon woonden. 24 Daarna stak hij de Eufraat over, trok door Mesopotamië en maakte alle versterkte steden aan de bergrivier de Abrona tot aan zee met de grond gelijk. 25 Hij bezette het gebied van Cilicië, slachtte iedereen die verzet bood af en trok verder tot aan het gebied van Jafet in het zuiden, aan de grens met Arabië. 26 Hij omsingelde de Midjanieten, stak hun tenten in brand en plunderde hun schaapskooien. 27 Daarna daalde hij af naar de vlakte van Damascus, ten tijde van de tarweoogst. Hij liet daar alle akkers platbranden en de veestapel vernietigen. Hij plunderde de steden, verwoestte de velden en bracht alle jongemannen om.


28 Angst en ontzetting maakten zich meester van de bewoners van de kuststreek: de hele bevolking van Sidon en Tyrus, van Sur, Okina en Jemnaä, van Azotus en Askelon verkeerde in doodsangst voor Holofernes.