Oproep om terug te keren naar de HEER

1 ‘Stel dat een man zijn vrouw wegstuurt, en zij bij hem weggaat en de vrouw van een ander wordt, kan hij haar dan terugnemen? Wordt het land dan niet ontwijd? Maar jij hebt met talloze minnaars overspel gepleegd, en je wilt toch weer bij Me terugkomen? – spreekt de HEER.

2 Kijk naar de kale heuvels,

waar ben je níet beslapen?

Je wachtte je minnaars op langs de weg,

zoals een Arabier op de uitkijk in de woestijn.

Je hebt dit land ontwijd

met je overspel, je schandelijk gedrag.

3 Daarom bleven de regens uit,

is de lenteregen niet gekomen.

Toch hield je de brutale blik van een hoer,

je toonde geen enkele schaamte.

4 Maar nú roep je Mij aan.

Je zegt “vader” tegen Mij, en zegt:

“U bent de geliefde van mijn jeugd,

5 uw woede gaat voorbij,

niet eeuwig duurt uw toorn.”

Zo spreek je, maar onverdroten ga je voort,

je blijft je schanddaden begaan.’


6 Tijdens de regering van koning Josia zei de HEER tegen mij: ‘Heb je gezien hoe ontrouw Israël Mij geworden is? Ze pleegde overspel op elke hoge berg en onder elke bladerrijke boom. 7 Ik dacht: Als ze van dat alles genoeg heeft, komt ze wel bij Me terug. Maar ze kwam niet terug. Haar afvallige zus Juda zag dat, 8 en ook dat Ik ontrouw Israël vanwege haar overspel weggestuurd had en haar een scheidingsbrief had gegeven. Ik zag dat zij zich door dit alles niet liet afschrikken, maar zelf ook overspelig werd. 9 En door haar lichtzinnig overspel met goden van steen en hout ontwijdde ze dit land. 10 Daarna kwam Israëls afvallige zus Juda wel bij Me terug, maar ze was niet oprecht, ze kwam met leugenachtige woorden – spreekt de HEER.’ 11 De HEER vervolgde: ‘Ontrouw Israël is nog rechtvaardig in vergelijking met afvallig Juda.

12 Ga, roep tegen het noorden:

Kom terug, ontrouw Israël – spreekt de HEER –,

dan zal Ik mijn woede laten varen,

want Ik ben trouw en liefdevol,

niet eeuwig duurt mijn toorn

– spreekt de HEER.

13 Erken alleen dat je schuldig bent,

tegen de HEER, je God, in opstand bent gekomen,

dat je overal op zoek ging naar andere goden,

onder elke bladerrijke boom,

dat je niet naar Mij geluisterd hebt

– spreekt de HEER.

14 Kom terug, ontrouwe kinderen – spreekt de HEER –, want jullie behoren Mij toe. Ik zal jullie meenemen, uit elke stad één, uit elke familie twee, en jullie naar Sion brengen. 15 Ik zal jullie herders naar mijn hart geven, en die zullen jullie met wijsheid en inzicht weiden. 16 En als jullie in die tijd in aantal toenemen en dit land weer zullen bevolken – spreekt de HEER –, zal niemand meer over de ark van het verbond met de HEER spreken. Die komt in niemands gedachten op, hij wordt niet meer genoemd of gemist, en wordt niet opnieuw gemaakt. 17 In die tijd zal men Jeruzalem Troon van de HEER noemen. Alle volken zullen er samenstromen, ze zullen op de naam van de HEER afkomen en zich niet meer laten leiden door hun koppig en boosaardig hart. 18 In die tijd zal Juda zich bij Israël voegen, en samen zullen ze uit het noorden naar dit land komen, dat Ik hun voorouders in bezit heb gegeven.

19 Ik dacht: Hoe kan Ik je een plaats tussen mijn kinderen geven

en je een begeerlijk land schenken,

het mooiste sieraad ter wereld?

En Ik dacht: Jullie zullen “vader” tegen Mij zeggen,

jullie keren je niet van Mij af.

20 Maar nee, zoals een vrouw die haar man bedriegt,

zo heb jij Mij bedrogen, volk van Israël!

– spreekt de HEER.

21 Een stem klinkt over de kale heuvels:

Israël smeekt en weent.

Het is een verdorven weg gegaan,

is de HEER, zijn God, vergeten.

22 Kom terug, afvallige kinderen,

Ik zal jullie genezen van je ontrouw.

Dan zullen jullie zeggen:

“Hier zijn we, wij komen bij U terug,

want U bent de HEER, onze God.

23 Het is waar, de heuvels zijn een leugen,

de bergen een holle klank.

Het is alleen de HEER, onze God,

die Israël de overwinning geeft.

24 Zolang ons volk bestaat,

heeft de god van de schande

het bezit van onze voorouders verslonden,

hun schapen, geiten en runderen,

hun zonen en dochters.

25 Laten we ons neerwerpen in schande,

laat schaamte ons bedekken.

Tegen de HEER, onze God,

hebben wij en onze voorouders gezondigd,

vanaf onze jeugd, tot op de dag van vandaag.

Wij hebben niet geluisterd naar de HEER, onze God.”