Dit is een afschrift van de brief die Jeremia heeft gestuurd aan de mensen die door de koning van de Babyloniërs in ballingschap weggevoerd zouden worden naar Babylonië. In die brief geeft hij aan hen door wat God hem had opgedragen.


1 Omdat jullie gezondigd hebben tegen God, zullen jullie in ballingschap naar Babylonië worden weggevoerd door Nebukadnessar, de koning van de Babyloniërs. 2 Als jullie eenmaal in Babylonië zijn, zullen jullie daar geruime tijd moeten blijven, vele jaren, zeven generaties lang; daarna zal Ik jullie veilig en wel van daar terugbrengen. 3 In Babylonië zullen jullie goden van zilver, goud en hout zien, die op de schouders worden rondgedragen en bij de volken daar ontzag wekken. 4 Pas op dat je je dan niet aan die vreemde volken aanpast en net als zij wordt, en je door ontzag laat bevangen 5 wanneer je voor en achter die goden een menigte in aanbidding ziet. Zeg dan bij jezelf: Alleen U verdient aanbidding, Heer! 6 Mijn engel is immers bij jullie en waakt over jullie.

7 Die goden hebben een tong die gepolijst is door een timmerman, en ze zijn helemaal verguld en verzilverd. Het is allemaal bedrog; ze kunnen niet eens spreken. 8-9 Ook maken ze daar kransen van goud, voor op het hoofd van hun goden, alsof het om een opgedirkt meisje gaat. Soms drukken de priesters het goud en zilver van hun goden achterover voor eigen gebruik, 10 of zelfs om het te besteden aan de hoeren in het bordeel. Die goden van zilver en goud en hout zijn aangekleed alsof het mensen zijn, 11 maar ze worden gewoon door roest en mot aangetast. Al hebben ze purperen gewaden aan, 12 ze moeten hun gezicht laten afvegen, want het stof uit de tempel ligt er duimdik op. 13 Verder houdt zo’n god een scepter vast, net als de rechters daar, maar hij kan iemand die tegen hem zondigt niet doden. 14 In zijn rechterhand heeft hij een dolk of een bijl, maar zich beschermen tegen oorlog en rovers kan hij niet. Daaruit blijkt wel dat het geen goden zijn; heb er dus geen ontzag voor.

15 Even nutteloos als aardewerk dat gebroken is, 16 zo zijn hun goden die daar in de tempels zijn neergezet. Hun ogen zitten vol met het stof dat opwaait als er mensen binnenkomen. 17 Zoals men iemand opsluit die ter dood veroordeeld is omdat hij de koning heeft beledigd, zo sluiten de priesters de tempels af met deuren, grendels en balken, om te voorkomen dat hun goden door dieven worden bestolen. 18 Hoewel de goden nog niet één lamp kunnen zien, steken de priesters er voor hen meer aan dan voor zichzelf. 19 Het is met die goden net als met de draagbalken van hun tempels: ook zij zijn naar men zegt vanbinnen vermolmd, en zijzelf en hun kleren zijn door ongedierte aangevreten, zonder dat ze het in de gaten hebben. 20 Hun gezicht ziet zwart van de rook in de tempel. 21 Op hun kop en hun romp gaan vleermuizen, zwaluwen en andere vogels zitten, en ook wel katten. 22 Daaraan kunnen jullie wel zien dat het geen goden zijn; heb er dus geen ontzag voor.

23 En dan het goud waarmee ze overtrokken zijn: als het niet wordt opgepoetst, blinken ze niet; ze hadden ook al niets in de gaten toen ze gegoten werden. 24 Zo dood als ze zijn, zijn ze tegen elke prijs te koop. 25 Omdat ze niet kunnen lopen, worden ze op de schouders genomen, zodat iedereen kan zien hoe waardeloos ze zijn. Ook hun eigen dienaren schamen zich ervoor 26 dat ze zo’n god, mocht hij op de grond vallen, weer overeind moeten helpen. En als hij al door iemand rechtop wordt gezet, kan hij nog niet zelf in beweging komen, of zelf recht gaan staan als hij is scheefgezakt. Toch legt men geschenken voor hen neer, net als voor doden. 27 Van het offervlees wordt misbruik gemaakt door de priesters, die het verhandelen, en ook door hun vrouwen, die het inpekelen en er niets van weggeven aan de armen of misdeelden. 28 Verder worden die offers aangeraakt door vrouwen die menstrueren of die pas bevallen zijn. Hieruit kun je wel afleiden dat het geen goden zijn; heb er dus geen ontzag voor.

29 Waaraan zouden ze het verdienen om goden genoemd te worden? Die goden van zilver, goud en hout worden bediend door vrouwen. 30 In hun tempels zitten de priesters bij elkaar in gescheurde kleren, met kale hoofden en afgeschoren baarden, en zonder iets op hun hoofd. 31 Ze loeien en janken voor hun goden zoals sommige mensen doen bij een dodenmaal. 32 Diezelfde priesters nemen hun goden kleren af om daarmee hun vrouwen en kinderen te kleden. 33 Die goden kunnen niets terugdoen, of ze nu slecht behandeld worden of goed. Ze kunnen ook geen koning aanstellen of afzetten. 34 En zo kunnen ze ook geen rijkdom of geld geven. Ze kunnen bij iemand die hun een gelofte heeft gedaan en die niet inlost, hun aanspraak niet laten gelden. 35 Ze zullen iemand niet van de dood redden, en een zwakke niet bevrijden uit de macht van wie sterker is. 36 Een blinde kunnen ze het zicht niet geven, en iemand in nood bevrijden ze niet. 37 Over weduwen zullen ze zich niet ontfermen, en wezen laten ze aan hun lot over. 38 Die houten, vergulde en verzilverde goden zijn bikkelhard; iedereen die hen vereert komt bedrogen uit. 39 Hoe is het dan mogelijk dat men denkt of zegt dat het goden zijn?

40 Trouwens, de Chaldeeën bevorderen zelf ook niet het respect voor hun goden. Als ze iemand tegenkomen die niet kan spreken, gaan ze naar Bel met het verzoek hem weer te laten praten – alsof die dat begrijpt! 41 Het komt niet in hen op hun goden weg te doen, ze missen zelf alle begrip. 42 Hun vrouwen zitten, met een koord om zich heen, langs de weg zemelen te branden. 43 Als een van hen door een voorbijganger wordt meegenomen om gemeenschap met hem te hebben, begint ze haar buurvrouw te honen omdat die niet werd uitgekozen – haar koord is nog heel – en zij wel. 44 Alles wat er gebeurt met die goden is leugen en bedrog. Hoe is het dan mogelijk dat men denkt of zegt dat het goden zijn?

45 Ze zijn gemaakt door timmerlieden en goudsmeden; ze kunnen alleen maar worden wat de ambachtslieden van hen willen maken. 46 Als de makers zelf maar kort te leven hebben, 47 hoe zouden dan wat zij maken goden kunnen zijn? Alleen bedrog en smaad laten ze na aan hun nakomelingen. 48 Wanneer die goden in oorlogen of rampen terechtkomen, bepalen de priesters met elkaar waar ze zich met hen zullen verschuilen. 49 Hoe is het dan mogelijk dat men niet doorheeft dat het geen goden zijn: ze kunnen zichzelf niet eens beschermen tegen oorlogen of rampen! 50 Omdat het houten, vergulde en verzilverde goden zijn, wordt achteraf wel duidelijk dat het allemaal maar bedrog is. Aan elk volk, aan iedere koning zal blijken dat het geen goden zijn, maar het werk van mensenhanden, en dat er niets goddelijks in hen is. 51 Wie zou dan niet inzien dat het geen goden zijn?

52 Ergens een koning aanstellen kunnen ze niet, en mensen regen geven ook niet; 53 een oordeel over hen vellen lukt ze ook al niet, laat staan iemand redden die onrecht heeft te verduren. 54 Ze zijn zo machtig als kraaien tussen hemel en aarde. Als er brand uitbreekt in de tempel van die houten, vergulde en verzilverde goden, zoeken hun priesters een veilig heenkomen, maar zijzelf worden net als de draagbalken een prooi van de vlammen. 55 Tegen een koning of tegen vijanden kunnen ze zich ook niet verzetten. 56 Hoe is het dan mogelijk dat men dat men aanneemt of denkt dat het goden zijn?

Die houten, vergulde en verzilverde goden zullen niet veilig zijn voor dieven en rovers: 57 ze raken hun goud en zilver kwijt aan wie maar sterk genoeg zijn, en die gaan er dan ook nog vandoor met de kleren die zij aanhadden; verweren kunnen ze zich niet. 58 Je kunt dus beter een koning zijn die zich moedig toont, of nuttig vaatwerk dat de eigenaar van dienst is, dan zo’n leugenachtige god; of bijvoorbeeld een huisdeur, die alles wat binnen is beveiligt, of een houten pilaar in een paleis – alles beter dan die leugenachtige goden! 59 Neem de zon, de maan en de sterren: ze stralen en worden uitgezonden om nuttig te zijn, en ze gehoorzamen. 60 Ook de bliksem is als hij flitst overal te zien. En de wind waait in alle streken. 61 Als de wolken van God opdracht krijgen de hele wereld over te gaan, doen ze dat. 62 En het vuur dat vanuit de hemel gezonden wordt om bergen en bossen te verteren, doet wat er gezegd wordt. Bij al deze verschijnselen, met hun geweldige krachten, vallen die goden in het niet. 63 Daarom kan men toch onmogelijk denken of zeggen dat het goden zijn: ze zijn niet in staat mensen te veroordelen of goed te doen. 64 Als jullie nu dus weten dat het geen goden zijn, heb er dan geen ontzag voor.

65 Ze kunnen koningen niet vervloeken en niet zegenen. 66 Ze kunnen de volken geen tekenen aan de hemel laten zien, ze kunnen niet schijnen als de zon, geen licht geven als de maan. 67 Dieren zijn nog beter af dan zij, want die kunnen zichzelf tenminste redden door naar een schuilplaats te vluchten. 68 Ons blijkt dus helemaal nergens uit dat het goden zijn; heb er dan ook geen ontzag voor.

69 Zoals een vogelverschrikker in een komkommerveld niets beschermt, zo is het met hun goden van hout, zilver en goud. 70 En zo lijken hun houten, vergulde en verzilverde goden ook op een doornstruik in een tuin waarop een vogel gaat zitten, of op een lijk dat in het donker ligt. 71 Uit het wegrotten van de purperen en linnen stoffen waarmee ze bekleed zijn, kun je wel afleiden dat het geen goden zijn. En dan zijn ze zelf aan de beurt om te vergaan, tot grote schande van het land. 72 Daarom is het beter geen afgodsbeelden te hebben en een rechtvaardig mens te zijn, want dan sta je niet bloot aan spot en hoon.