1 Daar, over de bergen,

snelt een vreugdebode.

Hij kondigt vrede aan.

Vier de feesten, Juda,

los je geloften in,

want nooit meer trekken schurken door je land,

ze zijn volledig uitgeroeid.

2 Tegen jou, Nineve, is iemand opgestaan

die je inwoners uiteendrijft.

Bewaak je vesting,

kijk uit over de weg!

Omgord je heupen,

verzamel al je kracht!

3 De HEER herstelt het aanzien van Jakob, van Israël,

vernield door vernielers

die zijn ranken verwoestten.

Nineve verwoest door de vijand

4 De schilden van zijn helden zijn rood gekleurd,

zijn soldaten gaan in purper gekleed.

De wagens die hij opstelt zijn vlammend gepantserd,

de lansen worden gericht.

5 Door de straten razen de wagens,

ze jagen voort over de pleinen,

ze zien eruit als fakkels,

als bliksemschichten schieten ze voorbij.

6 Hij spoort zijn bevelhebbers aan,

halsoverkop gaan zij voort.

Ze snellen naar de stadsmuur,

het stormdak wordt opgesteld,

7 de sluizen gaan open,

het paleis stort ineen.

8 Daar staat hij, hij laat de stad naakt wegvoeren.

Haar dienaressen klagen als duiven,

rouwend slaan ze zich op hun borst.

9 Nineve!

Een volle vijver zolang het bestond,

nu stroomt hij leeg.

Blijf staan! Blijf staan!

Maar niemand die zich omdraait.

10 Roof het zilver, roof het goud!

De schat is onuitputtelijk!

Kostbaarheden zonder tal!

11 Verwoesting, woestheid, woestenij:

harten smelten, knieën knikken,

heupen beven, gezichten verbleken.


12 Wat is er over van het leeuwenhol?

Het was een nest vol jonge leeuwen,

de leeuw, de leeuwin en de welpen

gingen er ongestoord hun gang.

13 De leeuw roofde voor zijn welpen,

beet kelen door voor zijn leeuwinnen,

vulde zijn holen met prooi,

zijn legers met buit.

14 Ik zal je straffen – spreekt de HEER van de hemelse machten.

Ik laat je strijdwagens opgaan in rook,

het zwaard zal je dappere leeuwen verslinden,

Ik vernietig in heel het land je buit,

de stem van je gezanten wordt niet meer gehoord.