1 Gelukkig is de mens die geen misleidende woorden spreekt,

die niet wordt geplaagd door wroeging over zijn zonden.

2 Gelukkig is de mens die zichzelf niets te verwijten heeft,

die de hoop niet verliest.

3 Een vrek geniet niet van zijn rijkdom,

waartoe dient het bezit van een gierigaard?

4 Wie alles oppot en zichzelf tekortdoet, spaart voor anderen,

zij zullen van zijn bezit genieten.

5 Wie slecht is voor zichzelf, voor wie zal hij goed zijn?

Hij verheugt zich niet eens over zijn eigen bezit.

6 Geen slechter mens dan wie gierig voor zichzelf is,

dat alleen al is de straf voor zijn slechtheid.

7 Als hij goeddoet is dat ondanks zichzelf,

maar zijn slechtheid komt toch aan het licht.

8 Slecht is een mens met hebzuchtige ogen,

die van anderen wegkijkt en hen niet ziet staan.

9 De ogen van een vrek zijn niet tevreden met hun deel,

zijn onrechtvaardigheid en slechtheid vreten aan hem.

10 Een hebzuchtig mens gunt een ander geen voedsel,

zelfs zijn eigen tafel is karig gedekt.

11 Mijn kind, zorg goed voor jezelf, voor zover je bezit het toelaat,

en breng de Heer op een waardige manier offers.

12 Bedenk dat de dood niet uitblijft,

de afspraak met het dodenrijk jou niet is onthuld.

13 Wees goed voor een vriend voordat je sterft,

steek hem de hand toe naar vermogen, geef aan hem.

14 Laat de goede dagen je niet ontsnappen,

het geluk dat je toekomt niet aan je voorbijgaan.

15 De vrucht van je gezwoeg laat je toch niet aan een ander na,

wat je hebt verworven laat je toch niet door het lot verdelen?

16 Geef, neem en geniet,

want in het dodenrijk zijn geen genoegens.

17 Alles wat leeft, verslijt als een kledingstuk,

al sinds het begin geldt de afspraak: ‘Je zult sterven.’

18 Zoals het gaat met het loof van jonge twijgen aan een volle boom

– het ene blad valt, het andere groeit –

zo gaat het met schepselen van vlees en bloed:

de ene generatie sterft, de andere wordt geboren.

19 Alles wat een mens maakt, vergaat en verrot,

en hijzelf gaat mee ten onder.

Wijsheid brengt geluk

20 Gelukkig is de mens die zich verdiept in wijsheid,

die verstandig nadenkt,

21 de wegen van de wijsheid overdenkt,

haar geheimen tracht te doorgronden.

22 Laat hij het spoor van de wijsheid volgen,

bij haar poorten naar haar spieden.

23 Hij blikt door haar vensters,

luistert aan haar deuren.

24 Hij vestigt zich bij haar huis,

slaat zijn tentpin in haar muren.

25 Hij zet zijn tent vlak bij haar neer,

hij vestigt zich op een goede plaats.

26 Hij plaatst zijn kinderen onder haar beschutting

en woont onder haar takken.

27 Zij beschermt hem tegen de hitte,

in haar luister woont hij.