1 ’s Nachts in mijn slaap zoek ik mijn lief.

Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.

2 Laat ik opstaan, rondgaan in de stad,

laat ik in de straten, op de pleinen,

zoeken naar mijn allerliefste.

Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.


3 De wachters vinden mij

op hun ronde door de stad.

‘Hebben jullie mijn lief ook gezien?’

4 Nog maar nauwelijks ben ik hun voorbij

of ik vind mijn lief.

Ik grijp hem vast en laat hem niet meer los

tot ik hem gebracht heb in mijn moeders huis,

in de kamer van haar die mij baarde.


5 Meisjes van Jeruzalem,

ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:

wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken

voordat zij het wil.


*

Meisjes

6 Wie is zij,

die daar komt uit de woestijn

als een zuil van rook,

in een wolk van wierook en mirre,

in een geur van kostbare kruiden?

7 Kijk! Salomo’s draagstoel,

omringd door zestig helden

uit de keurtroepen van Israël,

8 allen met de hand op het zwaard,

geoefend in de strijd,

ieder met het zwaard op de heup,

bedacht op nachtelijk gevaar.


9 Een draagkoets maakte koning Salomo,

een koets van cederhout.

10 De stijlen zijn van zilver,

het baldakijn van goud,

de zetel is van purper.

Hij is versierd met tekens van liefde

door de meisjes van Jeruzalem.


11 Kom kijken, meisjes van Sion,

kijk naar koning Salomo!

Kijk! De kroon waarmee zijn moeder hem tooide

op zijn bruiloftsdag,

de dag die zijn hart zo verblijdt.