Verdrijving van de demon

1 Toen ze klaar waren met de maaltijd en het tijd was om naar bed te gaan, brachten Raguel en Edna de jongeman naar de kamer. 2 Tobias, die Rafaëls aanwijzingen goed onthouden had, nam de lever en het hart van de vis uit zijn reistas en legde ze op de brandende wierook. 3 De demon deinsde terug voor de stank en vluchtte weg, tot diep in Egypte. Rafaël achtervolgde hem tot daar en ketende hem ter plekke aan handen en voeten.

blog-afbeeldingen-1

Te weinig concordantie

Een van de reacties op de NBV is dat deze vertaling te weinig rekening houdt met concordantie: het principe dat woorden uit de brontekst zoveel mogelijk met hetzelfde woord vertaald worden. Tegenover concordantie staat variatie. De NBV kiest, zo menen sommige lezers, te vaak voor variatie in woordgebruik. Dat past misschien goed in de directe context, maar gaat ten koste van het grotere verband.

4 Nadat Edna en Raguel de kamer hadden verlaten en de deur hadden gesloten, stond Tobias op van het bed en zei tegen Sara: ‘Sta op, liefste, laten we bidden en onze Heer vragen of Hij zich over ons ontfermt en ons beschermt.’ 5 Sara stond op, en samen baden ze en vroegen ze om bescherming. Tobias sprak: ‘Geprezen bent U, God van onze voorouders, geprezen zij uw naam tot in alle eeuwigheid. Laat de hemel en heel uw schepping U voor eeuwig en altijd prijzen. 6 U hebt Adam gemaakt en hem zijn vrouw Eva als helper en metgezel gegeven, en uit hen is heel de mensheid voortgekomen. U hebt gezegd: “Het is niet goed dat de mens alleen is, laten We een helper voor hem maken die op hem lijkt.” 7 Ik zeg U dat ik deze vrouw, mijn verwante, niet uit begeerte heb getrouwd, maar omdat ik trouw wil zijn aan U. Toon mij en haar uw barmhartigheid en laat ons samen oud worden.’ 8 Hierop zeiden ze gezamenlijk: ‘Amen, amen.’ 9 Toen sliepen ze met elkaar.

Intussen stond Raguel op en riep zijn slaven bij zich om een graf te delven, 10 want hij dacht: Stel je voor dat deze ook is omgekomen, dan worden we door iedereen bespot en beledigd. 11 Toen het graf gedolven was, ging Raguel weer zijn huis in. Hij riep zijn vrouw 12 en vroeg haar een slavin te laten komen; die moest gaan kijken of Tobias nog leefde. ‘Als hij dood is moeten we hem meteen begraven,’ zei hij tegen Edna, ‘dan komt niemand het te weten.’ 13 Ze ontstaken licht, openden de deur en stuurden de slavin naar binnen. Die trof Tobias en Sara samen aan, allebei diep in slaap. 14 Ze kwam weer naar buiten met het bericht dat Tobias leefde en dat alles in orde was. 15 Toen prezen Raguel en Edna de God van de hemel. Raguel sprak: ‘Geprezen bent U, God, met ieder zuiver loflied. Laat iedereen U voor eeuwig en altijd prijzen. 16 Geprezen bent U om de vreugde die U mij geschonken hebt. Wat ik vreesde is niet gebeurd; U hebt ons uw grote barmhartigheid betoond. 17 Geprezen bent U omdat U zich hebt ontfermd over deze twee jonge mensen, die allebei enig kind zijn. Heer, blijf U over hen ontfermen en bescherm hen, schenk hun tot aan hun dood vreugde en barmhartigheid.’ 18 Na deze woorden gaf Raguel zijn slaven opdracht het graf dicht te gooien, nog vóór het licht werd.

19 Raguel vroeg zijn vrouw een groot aantal broden te bakken. Zelf ging hij naar zijn kudde en zocht twee runderen en vier rammen uit. Hij gaf opdracht die te slachten en voor het bruiloftsfeest te bereiden. 20 Hij riep Tobias bij zich en zei: ‘Ik sta erop dat je deze veertien dagen bij ons blijft. Eet en drink met ons, dan maak je mijn dochter, die zoveel geleden heeft, gelukkig. 21 Bij je vertrek geef ik je alvast de helft van mijn bezit mee. Zorg ervoor dat je gezond en wel bij je vader terugkomt. De andere helft krijgen jullie wanneer mijn vrouw en ik gestorven zijn. Wees gerust, jongen. Ik ben je vader en Edna is je moeder. Vanaf nu zijn wij voor altijd met jou en je vrouw verbonden, dus wees gerust.’