Water: zegen voor Israël, plaag voor Egypte

1 De wijsheid liet alles wat zij ondernamen slagen door toedoen van een heilige profeet. 2 Ze trokken door een onbewoonde woestijn en sloegen op onbetreden plaatsen hun tenten op. 3 Ze verzetten zich tegen hun vijanden en weerstonden hun aanvallers. 4 Toen ze dorst leden riepen ze U aan; ze kregen water uit een steenharde rots, hun dorst werd gelest uit ruwe steen. 5 Wat diende om hun vijanden te bestraffen, was voor hen een weldaad toen ze in nood verkeerden. 6-7 Terwijl bij die anderen, als straf voor de opdracht tot kindermoord, het altijd stromende water van de rivier door bloed besmet en vertroebeld werd, gaf U hun onverwacht water in overvloed. 8 Door hen dorst te laten lijden liet U hun zien hoe U hun vijanden had gestraft. 9 Pas toen zij zelf op de proef werden gesteld, ook al was het met een milde straf, begrepen zij tot welke foltering het vonnis had geleid dat U in uw toorn over de goddelozen had geveld. 10 Terwijl U hen op de proef stelde en als een vader terechtwees, riep U die anderen ter verantwoording en veroordeelde U hen als een onverbiddelijke vorst. 11 Iedereen, ver weg of dichtbij, werd even zwaar getroffen. 12 Een dubbel verdriet was hun deel, en de herinnering aan wat geweest was, deed hen diep zuchten. 13 Want toen ze hoorden dat door hun straf anderen bevoordeeld werden, ontdekten ze daarin de hand van de Heer. 14 Na alles wat er gebeurd was, moesten ze dus wel ontzag krijgen voor hem die destijds zomaar te vondeling gelegd was en die ze hadden versmaad en verstoten. Ze leden meer dorst dan de rechtvaardigen ooit hebben gekend.

Hoe God straft en waarom

15 In hun onverstand en verdorvenheid dwaalden zij zozeer dat ze redeloze reptielen en ander ongedierte gingen vereren. U hebt hen voor straf onder zulke dieren bedolven, 16 opdat ze zouden inzien: waardoor iemand zondigt, daardoor wordt hij gestraft. 17 Het was geen onmacht van uw almachtige hand, die immers de wereld uit vormeloze materie heeft geschapen. U had een leger beren of grimmige leeuwen op hen kunnen afsturen, 18 of nieuwgeschapen, ongekende, woeste beesten, die vuur spuwen, rookwolken uitbraken of met hun ogen vreselijke vonken sproeien, 19 beesten die niet eens hoefden uit te halen om hen te doden maar hen alleen al door hun verschrikkelijke aanblik te gronde zouden richten. 20 Ook zonder dat alles hadden ze in één ogenblik kunnen bezwijken wanneer het recht hen zou vervolgen en uw machtige adem hen zou wegvagen. Maar U hebt van alles maat, getal en gewicht bepaald. 21 U bent te allen tijde in staat uw macht te tonen; wie kan de kracht van uw arm weerstaan? 22 Heel de wereld is voor U als een stofje op een weegschaal, als een dauwdruppel die ’s ochtends op de aarde valt. 23 Omdat U alles kunt, ontfermt U zich over iedereen; U ziet voorbij aan de zonden van mensen, opdat zij tot inkeer komen. 24 Alles wat er is hebt U lief, niets van wat U gemaakt hebt is U te min; U zou het niet eens gemaakt hebben als U er een afkeer van had. 25 Hoe zou iets tegen uw wil kunnen blijven bestaan? Hoe zou iets kunnen voortbestaan als U het niet in het leven had geroepen? 26 U, Heer, hebt het leven lief en U spaart alles, omdat het van U is;