1 Ten onrechte houden ze zichzelf het volgende voor: Het leven is kort en vol moeite. Geen mens kan zijn einde ontlopen; er is niemand die een uitweg kan bieden uit het dodenrijk. 2 Wij zijn bij toeval ontstaan en uiteindelijk zal het zijn of we nooit hebben bestaan. De adem in onze neusgaten is vluchtig als damp, het verstand niet meer dan een vonk in ons binnenste. 3 Als de vonk gedoofd is, vergaat het lichaam tot as en vervliegt de geest als ijle lucht. 4 Onze naam wordt op den duur vergeten, niemand herinnert zich onze daden nog. Ons leven verdwijnt als nevel, het lost op als mist die door de stralen van de zon wordt verjaagd en door haar warmte verdreven. 5 We leven niet langer dan een schaduw die voorbijgaat, en ons einde is onafwendbaar: het ligt vast, niemand keert terug.

6 Laten we met jeugdige gretigheid genieten van de schepping. 7 We zullen ons tegoed doen aan kostbare wijn en ons inwrijven met mirre. We laten geen lentebloesem aan ons voorbijgaan, 8 we vlechten kransen van rozenknoppen, eer ze verwelken. 9 Elk veld zal ons zien dansen, overal laten we sporen van vrolijkheid achter. Dat is toch waarvoor we leven, dat is toch ons lot?

10 Laten we de rechtvaardige die in armoede leeft uitbuiten, laten we de weduwe niet ontzien en ons niet bekommeren om de grijze haren van iemand op hoge leeftijd. 11 Onze kracht zal bepalen wat gerechtigheid is, want iets dat zwak is heeft geen waarde. 12 Laten we voor de rechtvaardige een valstrik leggen, want hij is ons alleen maar tot last. Hij dwarsboomt ons in alles wat we doen, hij verwijt ons dat we de wet overtreden en houdt ons voor dat we verloochenen wat ons geleerd is. 13 Hij beweert over kennis van God te beschikken en noemt zich kind van de Heer. 14 Hij is een levende aanklacht tegen onze opvattingen geworden. Zijn verschijning alleen al is ons een doorn in het oog, 15 omdat hij anders leeft dan anderen en zich afwijkend gedraagt. 16 Wij zijn in zijn ogen minderwaardig en hij mijdt onze levenswijze alsof die onrein is. Hij geeft hoog op van de bestemming van de rechtvaardigen en beroemt zich erop dat God zijn vader is.

17 Laten we zien of hij gelijk heeft en afwachten wat er bij zijn dood gebeurt. 18 Als de rechtvaardige echt een zoon van God is, zal die hem toch te hulp komen en hem uit de greep van zijn vijanden redden? 19 Laten we hem aan geweld en marteling onderwerpen om te zien of hij echt zo zachtmoedig is, laten we zijn uithoudingsvermogen op de proef stellen. 20 We zullen hem veroordelen tot een vernederende dood, want hij beweert toch dat hij gered zal worden?

21 Aldus de gedachtegang van de goddelozen. Maar ze vergissen zich, verblind als ze zijn door hun slechtheid. 22 Ze zijn niet bekend met Gods geheimen: ze verwachten niet dat vroomheid beloond wordt en geloven niet dat wie onberispelijk leeft, gelauwerd wordt. 23 God heeft de mens immers geschapen voor de eeuwigheid, als afspiegeling van zijn eigen wezen. 24 Maar de duivel heeft uit jaloezie de dood in de wereld gebracht; ieder die hem toebehoort roept de dood over zich af.